Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

132. Geregeld bezoek eener plaats; beursbezoek; marktbezoek.

„Gelijk uit de redactie blijkt, is het niet de bedoeling de bijdrage voor 4 maanden te vragen van hen, die geregeld, al '/.ij het nog zoo dikwijls, eene plaats bezoeken, zonder er eenig gebouwd eigendom of deel daarvan in gebruik of in mede-gebruik te hebben. In beursbelasting, markt- of staangelden, havengelden kunnen de zoodanigen tot eene bijdrage volgens art. 240 f verplicht worden.

„In den regel zal in het bekende gebruik of mede-gebruik eener kwaliteit wel voldoende grond tot aanslag gelegen zijn. Is het bewijs hiervan niet te leveren, dan zal het noodig zijn het meer omvattende bewijs van 'ó°. of 4". bij te brengen." (M.v.T. betreffende het ontwerp der wet van 24 Mei 1897, Stbl. no. 156.)

Bij de discussie in de Tweede Kamer (1 April 1897) kwam de heer Van Dedem hierop terug. Hij vroeg, of onder vaste inrichtingen ook worden verstaan de beurs en de markt; „wanneer dat het geval was, dan zou het kunnen gebeuren, dat een gewoon beursbezoeker, die dagelijks te Amsterdam komt, onder do belasting viel. Dit zou voor Amsterdam eene goede zaak zijn. Ditzelfde is toepasselijk voor den marktbezoeker; het zou echter een groot bezwaar zijn, als hij geacht werd in de belasting te vallen, omdat hij b.v. tweemaal in de week de markt bezoekt. Hij zou dan voor 4/i2 in den hoofdelijken omslag worden aangeslagen, omdat hij meer dan 90 dagen in de stad zou vertoeven."

Hierop antwoordde de Minister van binnenlandsche zaken (Hand. blz. 1163): „De bedoeling van het artikel is, dat ook een geregeld bezoeker van eene inrichting als de beurs vrij blijft, omdat deze geene inrichting van hem zelf is. Het is de bedoeling geweest om b.v. de belastingplichtigheid van de Zaanlanders, die geregeld voor hun beroep Amsterdam bezoeken, uit te sluiten van 2°., want zij hebben geene inrichting of kantoor te Amsterdam tot persoonlijke uitoefening van hun bedrijf.

„Ik zou denken, dat onder het begrip zooals het hier in de woorden ligt — want ik erken dat de toelichting nimmer tegen de woorden kan worden ingeroepen — niet kan worden begrepen de beurs; het moet zijn eene inrichting tot persoonlijke uitoefening van het bedrijf. Dit is het context van de woorden."

Inrichting tot persoonlijke uitoefening van een bedrijf.

Artikel 245, eerste lid. sub 2°.

133. Zie ook voor de beteekenis der woorden „persoonlijke uitoefening" aant. 102 en volg. hiervoren.

134. Persoonlijke uitoefening van een bedrijf, in den zin van art. 245, eerste lid, sub 2°., der gemeentewet, veronderstelt het meer of minder

Sluiten