Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INRICHTING TOT PEKSOONL. UITOEF. VAN EEN BEDRIJF.

veelvuldig in persoon aanwezig zijn tot het verrichten van werkzaamheden ten dienste van het bedrijf.

Hiertoe is niet voldoende, wanneer iemand zijne fabriek in de gemeente gedurende het belastingjaar wel is waar eenige malen heeft bezocht, als niet gebleken is, dat dit bezoek van anderen dan exceptioneelen en toevalligen aard is geweest en ter verrichting van werkzaamheden in zijn bedrijf heeft plaats gehad. Ged. Staten Groningen 22 Mei 1903; W.B.A. 2817.

135. Art. 245, eerste alinea, sub 2°., der gemeentewet werd niet toepasselijk geacht op grond, dat het bezoek der inrichting door reclamant in het belastingjaar niet zoo veelvuldig heeft plaats gehad, dat hij gezegd kan worden aldaar het bedrijf persoonlijk uit te oefenen. Ged. Staten Groningen 22 Juli 1904; tt'.B.A. 2880.

136. Hij, van wien vaststaat dat hij herhaalde malen in het belastingjaar eene hem toebehoorende fabriek, gevestigd in eene gemeente buiten zijn hoofdverblijf, bezocht heeft, moet, zoolang door hem het doel van dat bezoek niet in anderen zin is aangetoond, worden geacht dat te hebben gedaan tot persoonlijke uitoetening van een beroep, en is derhalve in die gemeente belastingplichtig krachtens art. 245, eerste lid, sub 2°., gemeentewet. Ged. Staten Groningen 25 Maart 1904 no. 145 ; W.B.A. 2860.

137. Vernietigd werd de aanslag van een fabrikant, die door het gemeentebestuur was aangeslagen op de overweging, dat hij, hoewel elders woonplaats hebbende, administrateur was van eene in de betrokken gemeente gelegen sigarenfabriek, weshalve hij geacht was belastingplichtig te zijn overeenkomstig art. 245, 2°., der gemeentewet.

Met deze motiveering konden Ged. Staten zich niet vereenigen; immers naar hunne meening vloeide uit het teit, dat iemand is administrateur van eene fabriek, niet noodzakelijk voort, dat hij in de gemeente, waar die fabriek is gelegen, heeft eene inrichting tot persoonlijke uitoefening van zijn bedrijf.

Nu verklaarde reclamant, dat hij gewoon was de fabriek eens per week te bezoeken, uitsluitend om aan den chef der fabriek het geld uit te keeren, benoodigd voor het uitbetalen der loonen aan de werklieden, dat hij zich met de fabricage zelf niet bezig hield en de administratie geheel in eene andere gemeente werd gevoerd. Al deze verklaringen kwamen Ged. Staten voor zeer aannemelijk te zijn, ook in verband met de omstandigheid, dat het gemeentebestuur den eenigen grond van aanslag vond gelegen in het feit, dat hij was administrateur eener fabriek, in de gemeente gelegen. Het geval van art. 245, 2°., der gemeentewet achtten zij dus niet aanwezig en zij vernietigden den aanslag. Proc. verslag Noord-Holland over 1902.

138. In beroep werd vernietigd de aanslag van een reclamant op

Sluiten