Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overweging, dat hij, wonende te Dordrecht, wel te Dubbeldam voor zijne rekening een stoom- en windoliemolen drijft, doch aldaar geen gemeubelde woning^ noch een kantoor of andere inrichting tot persoonlijke uitoefening van een betrekking, beroep of bedrijf beschikbaar houdt en ook te Dubbeldam zijn beroep of bedrijf niet persoonlijk uitoefent, doch de werkzaamheden in de fabriek aan den baas dier fabriek overlaat, terwijl ook niet is gebleken, dat de reclamant meer dan 90 dagen in het belastingjaar in de gemeente Dubbeldam verblijf houdt." Ged. Staten Zuid-Holland 15 Aug. 1900; Genist. 2552; W.B.A. 2671.

139 Een eigenaar van een buiten zijn woonplaats gelegen windhoutzaagmolen vervoerde zijn hout, nadat het in bedoelden molen gezaagd was" zonder het verder eenige bewerking te doen ondergaan, naar de gemeente zijner inwoning, ten einde het in de aldaar bestaande kisten-

makerij verder te doen verwerken.

Het beheer van den molen was onder toezicht van den vader des eigenaars opgedragen aan een baas, die naar hem verstrekte werklijsten het werk deed uitvoeren en schriftelijk bij afzending van het gezaagde hout verantwoording deed van hetgeen geschied was.

Toen nu de eigenaar van den molen in de gemeente, waar die molen staat krachtens artikel 245, sub 2°., der gemeentewet, in den hoofdelijken omslag was aangeslagen en Ged. Staten vernietiging van dien aanslag verzocht, bleek hun uit het deswege ingesteld onderzoek, dat de inrichting van het werk aan den molen van dien aard was, dat reclamants tegenwoordigheid aldaar niet vereiscbt werd, maar het in bijzondere omstandigheden gevorderde toezicht werd uitgeoefend door reclamants vader, die overigens bij de zaak niet betrokken was.

Mitsdien was naar hun oordeel het bij den molen aanwezige kantoor onnoodig voor de persoonlijke uitoefening door reclamant van zijn bedrijf, hetgeen ook daaruit bleek, dat reclamant gedurende het geheele iaar 1900 niet in of nabij den bewusten molen aanwezig was geweest.

Daar dus uit geen enkele omstandigheid bleek, dat reclamant op den aan«evoerden grond belastingplichtig was, hebben zij den^ aanslag vernietigd. Prov. verslag Noord-Holland over 1901; If .H A. ,.794.

140 De bijvoeging „tot persoonlijke uitoefening" is — blijkens de uitingen van den Min. v. binn. zaken in de Tweede Kamerzitting van 1 April 1897, Handelingen p. 1161 - enkel opgenomen om degenen uit te sluiten, die in eene andere gemeente eene zaak voor hunne rekening geheel door anderen doen drijven. Genist. 2574.

141. Vernietigd werden de aanslagen van twee bloembollenkweekeis, die ieder in eene andere gemeente dan die hunner inwoning een bloembollenveld bezaten, waarop o.a. eene schuur was geplaatst voor het

Sluiten