Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

éénmaal per week in de fabriek in laatstbedoelde gemeente was, om zich van den goeden gang der zaken te overtuigen en met de werklieden, voor zooveel dit noodig mocht zijn, besprekingen te houden, terwijl overigens de leiding der fabricage was overgelaten aan den fabrieksbaas.

Mocht het geval zich voordoen, dat iemand hem over de zaak aldaar wenschte te spreken, dan was daartoe eene kamer beschikbaar, maar het was bijna nooit noodig daarvan gebruik te maken, hetgeen o.a. verklaarbaar was door de omstandigheid, dat de fabriek telefonisch verbonden was met het in de andere gemeente gevestigde kantoor der firma.

In bedoelde spreekkamer verrichtte reclamant voorts geene administratieve werkzaamheden, handelszaken of correspondentie, waaruit zou kunnen afgeleid worden, dat hij aldaar een kantoor ter persoonlijke uitoefening van zijn beroep beschikbaar zoude hebben.

Ged. Staten hebben den aanslag vernietigd, wijl uit de beraadslagingen, gehouden over het wetsontwerp, dat geleid heeft tot de wet van 24 Mei 1897 (Stbl. no. 156) en uit de daarover gewisselde stukken uitdrukkelijk bleek, dat het geenszins in de bedoeling lag om den fabrikant belastbaar te doen zijn in de gemeente, waar hij, zonder aldaar kantoor te houden, eene fabriek had, welke hij enkele malen per week bezocht, de zaken overigens aan de leiding van een fabrieksbaas overlatende. Prov. verslag Noord-Holland over 1899.

161. Aan twee appellanten, waarvan een te Hengelo en de ander te Stad Almelo woonde, werd ontheffing van hun aanslag in den hoofdelijken omslag der gemeente Ambt Almelo over 1899 verleend. Ged. Staten overwogen: dat bij het verhoor voor hun college gebleken is, dat, vóór dat meer dan 90 dagen van het jaar 1899 waren verloopen, de vennootschap onder de firma waarvan appellanten mede-firmanten

waren, heeft opgehouden te bestaan en de naamlooze vennootschap . . . waarvan appellanten mede-directeuren zijn, is in het leven geroepen; dat de fabriek, gelegen in Ambt Almelo en vroeger behoorende aan de firma, doch later tot de naamlooze vennootschap bovengenoemd, dus niet is eene inrichting, welke appellanten tot persoonlijke uitoefening van een bedrijf gedurende meer dan 90 dagen van het belastingjaar 1899 voor zich beschikbaar hebben gehouden, zoodat de raad van Ambt Almelo ten onrechte op grond van art. 245, derde lid, sub 2°., der gemeentewet appellanten in den hoofdelijken omslag dier gemeente over dat jaar heeft aangeslagen; dat appellanten evenmin als directeuren dier naamlooze vennootschap op grond van art. 245, eerste lid, sub 4°., belastingschuldig zijn in de gemeente Ambt Almelo, wijl niet is gebleken, dat zij in die hoedanigheid op meer dan 90 dagen aldaar aanwezig zijn geweest; dat de aanslagen, waartegen het beroep is gericht, derhalve ten onrechte zijn geschied. Prov. verslag Overijssel over 1900.

Sluiten