Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden aangeslagen en derhalve de aanslagen van beide appellanten ten onrechte zijn geschied." Prov. verslag Overijssel over 1899.

177. Door eene reclamante te X. werd beroep ingesteld tegen den aanslag van wijlen haar echtgenoot in den hoofdelijken omslag der gemeente O. Het beroep werd toegewezen op de volgende overwegingen:

„dat de gemeenteraad van O. den heer IJ. te X., firmant en mededirecteur der suikerfabriek Z., gelegen onder O., in den hoofdelijken omslag heeft aangeslagen overeenkomstig het voorlaatste lid van art. 245 der gemeentewet, alzoo voor 4/ja gedeelten over een vol jaar, op grond van het bepaalde onder 2°. van dit artikel, omdat hij als directeur belast was met de administratie over gezegde onderneming en in die qualiteit aan de fabriek een afzonderlijk kantoor te zijner beschikking had;

„dat uit de statuten blijkt, dat de onderneming, onder de firma Z., is eene vennootschap onder eene firma en eene vennootschap by wyze van geldschieting of en commandite, zooals die omschreven is in art. 19, tweede alinea, van het wetboek van koophandel, en dat de heer IJ. was een der vijf besturende vennooten en mede een der twee directeuren, aan wie door de besturende vennooten de leiding der fabriek en de administratie der vennootschap was opgedragen;

„dat de verkregen inlichtingen inhouden, dat van het kantoor aan de suikerfabriek, hetwelk het eigendom is der firma, de beide directeuren voortdurend en de besturende vennooten tijdens hun bezoek om de 14 dagen gebruik maken;

„dat alzoo niet kan worden aangenomen, dat de heer IJ. tot uitoefening zijner betrekking gezegd kantoor voor zich beschikbaar hield, waardoor art. 245, sub 2°., der gemeentewet op het geval van toepassing zou zijn, maar wel, dat hij tot uitoefening van zijn beroep als directeur aanwezig was op een daarvoor mede bestemd kantoor der fabriek, als eene aan die fabriek verbonden vaste inrichting in den zin der bepaling sub 4°. van art. 245 der gemeentewet, en dus zijn belastingplichtigheid aan deze bepaling is te toetsen;

„dat volgens deze bepaling de aanwezigheid op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zijne belastigplichtigheid een vereischte is;

„dat, volgens art. 7 der verordening op de heffing van hoofdelijken omslag te O., het dienstjaar loopt van 1 Januari tot en met 31 December en dat, volgens de niet weersproken bewering van reclamante, haar op 10 April 1903 overleden echtgenoot in het jaar 1903 hoogstens 72 dagen op het kantoor werkzaam heeft kunnen zijn." Prov. verslag NoordBrabant 1904; Gemst. 2808; W.R.A. 2971.

178. Een ingezetene van Ambt-Almelo, die op het suppletoir kohier van den hoofdelijken omslag der gemeente Stad Almelo over 1899 was

Sluiten