Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

181. Drie in den hoofdelijken omslag der gemeente Vlissingen aangeslagen personen, allen gezagvoerders van tusschen Vlissingen en Queensborough varende mailbooten en onderscheidenlijk wonende te Middelburg en Koudekerke, zijn tegen de afwijzende beschikking van den gemeenteraad op hunne reclames in beroep gekomen.

Zij werden van hun aanslag ontheven op de volgende overwegingen:

„dat de reclamant, die te Koudekerke (resp. Middelburg) woont, moet geacht worden de gemeente Vlissingen alleen te doorreizen, om als gezagvoerder het bevel over de van hieruit vertrekkende stoomboot te aanvaarden en na volbrachte reis weder huiswaarts te keeren;

„dat dit doorreizen der gemeente niet kan beschouwd worden als eene aanwezigheid tot het vervullen eener dienstbetrekking in den zin van art. 245, no. 4, der gemeentewet en dat de reclamant mitsdien in die gemeente niet belastingplichtig is." Ged. Staten Zeeland 7 April 1900 no. 10; Genist. 2533; W.B.A. 2653.

In gelijken zin Gemst. 2597.

182. Zie omtrent het in eene inrichting vertoeven om het werk na te gaan, zonder er zelf werkzaam te zijn en zonder gelegenheid te hebben om administratieve werkzaamheden te verrichten, aant. 152 en volg. hiervoren.

183. Zie voor het gebruik van een kamertje op de beurs, dat slechts gedurende den tijd, dat deze inrichting geopend is, tot een bepaald doel afgestaan wordt, aant. 150 op bladz. 81.

184. De betrekking van organist eener kerk is eene „dienstbetrekking" in den zin van art. 245, eerste lid, sub 4°., der gemeentewet. Ged. Staten Groningen 15 Mei 1903 no. 131; Gemst. 2816.

185. Gegrond werd verklaard het verzet tegen hun aanslag van een tweetal predikanten der kerkelijke gemeente Delft, hun hoofdverblijf hebbende te Vrijenban en te Hof van Delft, die te Deltt aangeslagen waren als forensen, op grond, dat zij geacht moesten worden op meer dan 90 dagen in de gemeente Delft aanwezig te zijn ter vervulling eener dienstbetrekking, als bedoeld in art. 245, eerste lid, sub 4°. Te hunnen opzichte werd overwogen, dat het woord „dienstbetrekking" eene andere verhouding onderstelt dan die, welke tusschen een predikant en eene kerkelijke gemeente bestaat, terwijl uit eene vergelijking van het bepaalde in genoemd art. 245, eerste lid, sub 2°. en 4°., blijkt, dat de wet niet elke betrekking als eene dienstbetrekking beschouwt. Ged. Staten Zuid-Holland in 1901; Gemst. 2479.

186. Onder „dienstbetrekking" in art. 245, eerste lid, 4°., der gemeentewet valt de betrekking van predikant bij eene kerkelijke gemeente. Ged. Staten Noord-Brabant 25 Mei 1899; IV.B.A. 2608.

Sluiten