Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op die gronden werd de aanslag behouden. Prov. verslag Noord-Holland over 1904; W.B.A. 2951.

Zie ook Prov. verslag Noord-Holland over 1902.

193. Zie eene beslissing omtrent het zich ophouden in eene gemeente om toezicht te houden op den bouw eener nieuwe voor zijn bedrijf aldaar te vestigen fabriek de aanteekening 148 op blad/.. 80.

Natuurlijke personen.

Art. 245, tweede lid.

194. Natuurlyke personen. „Ook nu zijn alleen dezen belastingschuldig. Het is echter met het oog op daaromtrent gerezen twijfel wenschelijk, eene opzettelijke bepaling in de wet op te nemen." (M.v.T. betreffende het ontwerp der wet van 24 Mei 1897, Stbl. no. 156).

195. Rechtspersonen en stichtingen. Sommige leden der Tweede Kamer waren, blijkens het V.V. betreffende het ontwerp der wet van 24 Mei 1897 (Stbl. no. 156), van oordeel, „dat niet alleen natuurlijke personen, maar ook rechtspersonen en stichtingen in den hoofdelijken omslag behooren te worden aangeslagen. Wel werd opgemerkt, dat dit tegenover liefdadige stichtingen onbillijk zou zijn, maar hierop werd weder geantwoord, dat toch ook die stichtingen voordeel trekken uit betgeen de gemeente in het algemeen belang doet."

De Regeering wilde daarvan echter niets hooren. „De ondergeteekenden," schreven de Ministers in de M.v.A., „zouden ongaarne met het op zich zelf reeds aan genoeg bestrijding onderhevige voorstel nog het zoo moeilijke vraagstuk over de onderwerping van de rechtspersonen en stichtingen aan persoonlijke belastingen verbinden. In de zakelijke belastingen deelen zij, wat de opcenten op de grondbelasting betreft, voorzoover de wet geene vrijstelling verleent. In het straatgeld kunnen zij betrokken worden overeenkomstig de te maken verordeningen."

Ter waarneming eener openbare betrekking tijdelijk buiten de gemeente van het hoofdverblijf vertoeven.

Art. 245, tweede lid.

196. Betrekking. In het V.V. der Tweede Kamer betreffende het ontwerp der wet van 24 Mei 1897 (Stbl. no. 156) werd opgemerkt:

„Blijkens het bepaalde van het tweede lid van art. 245 is het eerste lid niet toepasselijk op hen, die ter waarneming van eene openbare betrekking tijdelijk buiten de gemeente van hun hoofdverblijf vertoeven. In verband hiermede werd gevraagd: welke zin moet gehecht worden aan het woord „betrekking" in 2°. van het eerste lid ? Waren hier enkel openbare betrekkingen bedoeld, dan zou het woord wegens de bepaling

Sluiten