Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„dat de raad, door de uitdrukking „tijdelijk vertoeven" alleen geschreven te achten voor die gevallen, waarin eene afwijking van den gewonen regel plaats heeft, derhalve niet voor personen, die als regel eenige uren daags buiten hun hoofdverblijf vertoeven, en ze alleen te laten slaan op een vertoeven gedurende een aaneengesloten tijdvak van eenigen duur, aan de bepaling der wet eene beperkende toepassing geeft die door hare woorden geenszins wordt gerechtvaardigd en waartoe deze vergadering zich dan ook niet gerechtigd acht;

„dat de woorden der wet geene ruimte laten voor het maken van eene andere onderscheiding dan die, welke gelegen is in de tegenstelling tusschen tijdelijk cn voortdurend vertoeven ;

„dat de vraag, of het ambt van reclamanten als eene openbare betrekking is te beschouwen, door den raad, wat de twee eerstgenoemden betreft, ontkennend wordt beantwoord, op grond, dat eene openbare betrekking wordt bekleed door iemand, die door het publiek gezag is belast met eene publiekrechtelijke functie, en dat, hoewel reclamanten door het publiek gezag zijn aangesteld, niet gezegd kan worden, dat de twee eerstgenoemden zijn belast met eene publiekrechtelijke functie;

„dat, daargelaten het weinig afdoende der door den raad gegeven definitie van openbare betrekking, die, door als criterium te stellen het belast zijn met eene publiekrechtelijke functie, zonder aan te geven, waarin het essentieele hiervan gelegen is, de vraag verplaatst, doch niet haar oplost, deze definitie geen steun vindt in de wet;

„dat de uit de geschiedenis der wet blijkende gelijkstelling van ambtsen openbare betrekking (c.f. Van Oosterwijk, pag. 1233, noot 1) geen ruimte laat voor eene andere tegenstelling dan die, welke gelegen is in openbaar tegenover bizonder, particulier;

„dat zonder twijfel reclamanten geacht moeten worden in dien zin eene openbare betrekking te bekleeden." Ged. Staten Friesland 2 April 1903 no. 89; Gemst. 2689; IV.B.A. 2809.

Ten opzichte van een adjunct-commies ter Provinciale griffie beslisten Ged. Staten van Zeeland d.d. 24 Juli 1903 no. 4 a in gelijken zin; Genist. 2706.

205. De Ged. Staten der provincie Gelderland;

Nader voorgenomen een adres van Mr. J. J. S. baron Sloet te Oosterbeek, gemeente Renkum, daarbij in beroep komende van de beschikking van den raad der gemeente Arnhem op zijn bezwaarschrift tegen den aanslag in de plaatselijke directe belasting aldaar, dienst 1902;

Gezien enz.

Overwegende, dat reclamant is commies-chartermeester by het Rijksarchief in Gelderland te Arnhem, en dat hij zich op iederen werkdag van Oosterbeek, alwaar zijn hoofdverblijf krachtens hem daartoe

Sluiten