Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met deze uitspraak kan de Gemst. zich niet vereenigen. Zie o.a. haar nos. 2492 en 2611.

209. De gemeenteraad van B. erkende als juist de verklaring van een reclamant, dat hij, tijdens hij te N. als luitenant der artillerie in garnizoen was, werd gedetacheerd aan de rijschool te B. voor den tijd van 6 maanden, waarvan de 4 laatste in het belastingjaar 1902 vielen, doch het gemeentebestuur nam tevens aan, dat de reclamant gedurende deze 6 maanden verblijf had te B., vermits hij daar op gemeubileerde kamers gedurende meer dan 90 dagen had gewoond, en dat hij derhalve, ingevolge art. 245, eerste alinea, nos. 2, 3 en 4, der gemeentewet, voor vier twaalfde gedeelten van zijnen aanslag over een vol jaar belastingplichtig was. Ged. Staten overwogen: 1°., wat adressants hoofdverblijf betrof, dat uit het feit van te B. op gemeubileerde kamers te wonen nog geenszins het bestaan van een hoofdverblijf mag worden afgeleid, doch dat integendeel uit de omstandigheid, dat reclamant van uit zijn garnizoen N. tijdelijk te B. werd gedetacheerd, terwijl inmiddels zijn gezin te N. bleef gevestigd, duidelijk volgt, dat niet de gemeente B., maar de gemeente N. het hoofdverblijf was van den reclamant; dat reclamant alzoo over 1902 niet belastingplichtig was te B. ingevolge art. 245, eerste lid, sub 1, der gemeentewet; 2°., wat betreft adressants verblijf, dat reclamant inderdaad over het belastingjaar 1902 meer dan 90 dagen in de gemeente B. verblijf heeft gehouden; dat er echter evenmin termen bestaan, om hem over 1902 noch op grond van zijn verblijf te B. gedurende meer dan 90 dagen, noch uit kracht van art. 245, eerste lid, sub 2 of 4, belastingplichtig te verklaren, wijl voornoemde bepalingen, naar luid van art. 245, tweede lid, niet van toepassing zijn op hen, die, zooals met reclamant het geval was, ter waarneming eener openbare betrekking, tjjdelijk buiten de gemeente van hun hoofdverblijf vertoeven. Mitsdien werd aan adressant algeheele ontheffing van den aanslag verleend. Prov. Noord-Brabant over 1903; Gemat. 2763.

210. Vernietigd werden de aanslagen in de plaatselijke directe belasting naar het inkomen te Delft van verschillende hoogleeraren aan de Polytechnische school aldaar, zoomede van officieren der artillerie, verbonden aan de aldaar gevestigde artillerie-inrichtingen, die hun hoofdverblijf hebben in de gemeenten Vrijenban en Hof van Delft, doch te Delft als forensen waren aangeslagen, op overweging, dat de reclamanten, te Delft „openbare betrekkingen" waarnemende, volgens het tweede lid van art. 245 gemeentewet aldaar niet belastingplichtig zijn te achten, daar de uitlegging van den raad der gemeente Delft, als zoude genoemd tweede lid alléén gelden voor hem, die eene openbare betrekking waarneemt buiten de plaats, waar de uitoefening geregeld plaats heeft, „geen

Sluiten