Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der erflaatster in vollen eigendom overging; dat de reclamant derhalve over 1902 niet meer kon worden aangeslagen voor het volle bedrag van het inkomen der vroegere gemeenschap.

De aanslag werd mitsdien tot op de helft teruggebracht. Prov. verslay Noord-Brabant over 1903; Gemst. 2765.

236. Het antwoord op de vraag, of de overste en nonnen, in een

klooster samenlevende, in den hootdelijken omslag aangeslagen kunnen worden, hangt in de eerste plaats van de heffingsverordening af. Wordt daarbij de belasting geheven van het inkomen, dan moet onderzocht worden, of hetgeen de overste of de nonnen genieten ter voorziening in haar onderhoud enz. valt onder de omschrijving, bij de verordening van „inkomen" gegeven. Maar, wanneer inderdaad de bewoonsters van het klooster niets bezitten, zou een eventueel tegen haar uit te vaardigen dwangbevel niet geëxecuteerd kunnen worden. Gemst.2(507.

237. Bij de berekening van het inkomen kunnen — tenzij de verordening anders bepaalt - alleen die uitgaven afgetrokken worden, die voor de verwerving der inkomsten noodig zijn.

Wanneer b.v. de huisvesting van kapelaans tegen een vastgesteld bedrag een pastoor niet als verplichting is opgelegd, mag het nadeelig saldo dier huisvesting niet in aanmerking genomen worden bij de berekening van zijn inkomen. Gemst. 2653.

238. Om tot het „werkelijk zuiver bedrag" der inkomsten te geraken, moeten de op het inkomen drukkende lasten, d.w.z. de uitgaven, die men, ter zake van het genot van het inkomen, verplicht is te doen, afgetrokken worden. Tot die lasten behoort niet de premie eener levensverzekering. zijnde eene vrijwillige transactie, maar wel de pensioensbijdragen voor officieren en de belastingen. Tot aftrek van die lasten behoort dus de heffingsverordening gelegenheid te geven.

Hieruit volgt, dat eene onverplichte uitkeering van het inkomen van den gever niet mag afgetrokken worden, maar dit neemt niet weg, dat zij tevens — zij het dan ook als wisselvallige inkomst — het inkomen van den begiftigde vermeerdert. Door het bedrag in handen van een van beiden buiten rekening te laten, zou de raad niet aan art. 243 gemeentewet voldoen. Gemst. 2478.

239. Ged. Staten van Friesland beslisten in 1888, met betrekking tot de pensioensbijdragen, die door de wet worden voorgeschreven, dat deze niet als zuiver inkomen kunnen worden beschouwd en met name niet gelijk kunnen worden gesteld met opgespaard kapitaal, waarvan later de vruchten worden getrokken. Gemst. 1895.

240. De verplichte bijdrage van een zeeofficier in het weduwen- en weezenfonds kan bij de berekening van het belastbaar inkomen alleen

HABTMAN, HOOFD. OMSLAG. 8

Sluiten