Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AFSCHRIJVING.

dan van het werkelijk inkomen worden afgetrokken, wanneer de verordening op de heffing dit uitdrukkelijk bepaalt. Prov. verslag Noord-Holland, over 1896; 1V.B.A. '2539.

Afschrijving.

ARTIKEL 245, DERDE LID.

241. Afschrijving moet door den raad worden verleend. Missive Ged. Stalen Friesland 1887 ; W.B.A. 1973.

Zie ook W.B.A. 2464 en 2495 en Gemst. 2678.

Volgens Gemst. 1828 door burgemeester en wethouders.

242. Ook al regelt de verordening niet de restitutie van te veel betaalde belasting, moet deze op aanvraag van den rechthebbende verleend worden, omdat zijne aanspraak steunt op de wet en dus niet van de invorderingsverordening afhankelijk kan zijn. Gemst. 2568.

243. Terwijl art. 245 gemeentewet het beginsel vaststelt, waarnaar de belastingpZ»c/i< te bepalen is, is de belastingscAwid een uitvloeisel van het vastgesteld kohier. Vermits nu de gemeente-ontvanger niet de bevoegdheid heeft om eigenmachtig een gedeelte van die aldus bepaalde belastingschuld oningevorderd te laten, kan men, zonder afschrijving te vragen, enkel op grond van vertrek niet van de volledige betaling van den aanslag vrijgesteld worden.

Uit het bovenstaande volgt tevens, dat de restitutie moet gevraagd worden. Wel is waar heeft de belastingschuldige, die de gemeente verlaat, recht op teruggave, maar om aan burgemeester en wethouders de zorg voor de beurzen der belastingschuldigen op te leggen in dien zin, dat zij ook ongevraagd een mandaat tot restitutie van belasting moeten afgeven, zou, dunkt ons, een uitdrukkelijk wetsvoorschrift noodig zijn. Zoodanig voorschrift bestaat alleen voor het geval van vermindering van den aanslag; tot uitvoering van art. 266, tweede alinea, achten wij dan ook burgemeester en wethouders, zonder aanvrage van den belanghebbende en zonder medewerking van den raad, krachtens art. 126 gemeentewet verplicht. Gemst. 2216, 2334, 2345, 2441 en 2655.

Zie ook eene decisie M. v. B. Z. 19 Mei 1883 in Gemst. 1655.

244. Eene reclamante bracht bij Ged. Staten bezwaren in tegen het besluit van den raad der gemeente B., waarbij op haar verzoek, om wegens verandering van woonplaats algeheele ontheffing te verkrijgen van haren aanslag in den hoofdelijken omslag dier gemeente over 7 maanden van 1901, die ontheffing slechts werd verleend over drie maanden, n.1. over de maanden October, November en December.

Aan de reclamante werd te kennen gegeven, dat zij in het door haar

Sluiten