Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betaald is en dus de weduwe-erfgename daarvoor aanspraak heeft op restitutie. Gemst. 2827.

256. Van den aanslag van een belastingschuldige, die overlijdt, moet afschrijving worden verleend, ook al blijft de zaak van den overledene in haar geheel bestaan. Gemst. 2380.

257. Afschrijving van een aanslag moet verzocht worden. Komt een daartoe strekkend verzoek van de nabestaanden van een vermoedelijk overleden persoon in, dan zouden wij het voor inwilliging vatbaar achten. De raad is o.i. hier niet gebonden aan de bepalingen van het burgerlijk wetboek betreffende vermoedelijk-overleden-verklaring, maar mag op grond van de omstandigheden aannemen, dat de belastingschuldige heelt opgehouden te leven en dus hoofdverblijf in de gemeente te hebben. De slot-alinea van art. 245 — ofschoon niet voor zulk een geval geschreven — houdt zich bij de bepaling, waar iemands hoofdverblijt gevestigd is, ook niet uitsluitend aan het streng recht, maar wil mede op de omstandigheden gelet hebben. Gemst. 1861.

258. De burgerlijke rechter is onbevoegd om kennis te nemen van eene vordering tot teruggaaf van onder protest betaalde directe plaatselijke belasting, waarvan de verschuldigdheid wordt betwist op grond, dat de eischer ten onrechte in die belastingwas aangeslagen. Gemst. 2342.

259. De gemeenteraad kan niet gedwongen worden zijne afwijzende beschikking op een verzoek om restitutie van betaalden hoofdelijken omslag door eene toewijzende te vervangen, terwijl tegen eene beslissing omtrent gevraagde restitutie geen hooger beroep openstaat. Heelt dus iemand meer in den hoofdelijken omslag bijgedragen, dan hij ingevolge art. 245 der gemeentewet verschuldigd was, kan hij het te veel betaalde alleen door het instellen eener actie ex art. 1395 burgerlijk wetboek terugvorderen. Gemst. 2453.

260. Het verzoek om ontheffing van de betaling eener som, welke men volgens het kohier schuldig is, kan niet beschouwd worden te zijn een bezwaar in den zin van art. 265 gemeentewet en kan dus nog geschieden na verloop van de daarbij bepaalde termijnen. Kon. besluit 30 October 1881 (Stbl. no. 173); Gemst. 1573; W.Ii.A. 1692.

Krachtens hetzelfde beginsel beslisten: Ged. State» Groningen (Prov. verslag 1889; Gemst. 2050; W.B.A. 2203); Ged. Staten Utrecht (Prov.verslaq 1892; Gemst. 2193;.

In gelijken zin Gemst. 2237 en 2341.

261. Eene vordering tot restitutie van hoofdelijken omslag verjaart volgens de wet van 8 November 1815 (Stbl. no. 51). M. v. B. Z. 30 Juli 1868; Gemst. 883.

Zie ook Gemst. 1817, 2295, 2308 en 2356.

Sluiten