Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kohieren te onthouden, op grond dat zij na de sluiting van het begrootingsjaar zijn vastgesteld;

overwegende, dat de gemeenteraad zich voorts beroept op art. 262 der gemeentewet om te betoogen, dat dit artikel voor de vaststelling der kohieren een termijn laat van driejaren, welke door Ged. Staten niet mag worden verkort;

overwegende, dat in dit artikel gesproken wordt vaneen termijn, aanvangende op het tijdstip, waarop de belasting verschuldigd of waarop do laatste akte van vervolging beteekend was;

dat de belastingschuld ter zake van hoofdelijken omslag niet onmiddellijk voortspruit uit de wet of de daarop gegronde verordening, die slechts in het algemeen den belasting/»/('cA< vestigen, maar uit de kohieren, die immers juist vastgesteld worden met het doel om die schuld te doen ontstaan;

dat de schuld derhalve eerst bestaat, wanneer de kohieren krachtens de bij art. 266 der gemeentewet gevorderde goedkeuring van Ged. Staten uitvoering kunnen erlangen;

dat de woorden van art. 262 hiermede volkomen overeenstemmen, aangezien van vervolging eerst na de goedkeuring van kohieren sprake kan zijn;

overwegende ten slotte, dat bij de goedkeuring der genoemde kohieren het algemeen belang niet is betrokken. M.v.B.Z. 16 Mei 1883; Gemat. 1655; W.B.A. 1775.

Zie hieromtrent ook Genist. 1676 en 2562; W.B.A. 1795.

8. Ged. Staten behoeven zich bij de behandeling van het kohier niet af te vragen, of elke aanslag juist is; dit zou voor hen trouwens onmogelijk te doen zijn. Maar daardoor is eene beoordeeling van de wettigheid der aanslagen niet uitgesloten. T.A.lt. XX, 144.

9. Op een adres van Amsterdamsche forensen, houdende verzoek tot niet-goedkeuring der kohieren, waarop zij waren aangeslagen, werd door Ged. Staten van Noord-Holland geantwoord, dat er voor hen, met het oog op de artt. 264 en 265 gemeentewet en op de bedoeling des wetgevers, geene aanleiding bestond om vóór de goedkeuring der kohieren te onderzoeken, of de daarop voorkomende personen volgens de wet konden geacht worden belastingplichtig te zijn, en dat zij, die zich door hun aanslag op een goedgekeurd kohier bezwaard achtten, daartegen op den voet van art. 265 konden reclameeren. Genist. 2245.

Belanghebbenden richtten daarna een verzoek aan de Koningin-WeduweRegentes om schorsing of vernietiging van het besluit van Ged. Staten tot goedkeuring der kohieren, waarop door den Min. van binnenlandsche zaken, beschikkende krachtens machtiging van de Koningin-WeduweRegentes, de volgende beslissing werd genomen :

Sluiten