Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Klaarblijkelijk verwachtte de raad, dat deze ingezetenen met Mei de gemeente zouden verlaten.

Dergelijke aanslagen kwamen Ged. Staten minder juist voor. Volgens art. 245 der gemeentewet toch wordt door hem, die niet het geheele jaar in de gemeente zijn hoofdverblijf hield (of er verbleef), slechts voor zóóveel twaalfden in den hoofdelijken omslag gedeeld als zijn hoofdverblijf in de gemeente maanden heeft geduurd. Uit deze redactie bleek, naar hunne meening, de bedoeling van den wetgever, dat de definitieve vaststelling van het bedrag van den aanslag naar tijdsgelang voor hem, die in den loop van het dienstjaar zijn hoofdverblijf uit de gemeente overbrengt naar elders, slechts kan plaats hebben nadat het hoofdverblijf in de gemeente heeft opgehouden. Afgezien van die bezwaren, oordeelden Ged. Staten, dat ook het gemeentebestuur zich verzette tegen dergelijke handelwijze, daar men, volgens de bestaande jurisprudentie, slechts eenmaal in hetzelfde dienstjaar op het kohier mag worden aangeslagen en de raad, ingeval bedoelde ingezetenen, in strijd met hun voornemen, langer dan vijf maanden van het dienstjaar in de gemeente mochten verblijven, niet bij machte zou zijn, hen gedurende dat langer verblijf in de gemeentelasten te doen deelen.

Ged. Staten verzochten de betrokken gemeentebesturen om in het vervolg personen, die bij den aanvang des jaars in de gemeente wonen, doch van wie men verwachtte, dat ze vóór het einde van het jaar de gemeente metterwoon zouden verlaten, voor een vol jaar aan te slaan. Prov. verslag Friesland over 1890: Gemst. 2008 en 2116; W.B.A. 2128 en 2207.

In gelijken zin Gemst. 1303 en 2679.

13. Een vrouw, die in den loop van het jaar belastingplichtig wordt en daarna huwt, moet op het suppletoir kohier worden aangeslagen over de maanden, dat zij ongehuwd is en haar echtgenoot over die, welke sedert het huwelijk verloopen zijn. Gemst. 2505.

14. In een eenmaal vastgesteld kohier kunnen geene veranderingen gemaakt worden op grond van feiten, die zich na de vaststelling voordoen. Een belastingplichtige, die na de vaststelling overlijdt, blijft dus aangeslagen voor een vol jaar, maar zijne erfgenamen kunnen afschrijving vragen. Gemst. 2373.

15. Art. 245 verhindert niet, dat personen, welke bij den aanvang van het jaar niet belastingplichtig zijn, doch wier inkomsten in den loop van het jaar zoodanig vermeerderen, dat zij het vrijgestelde bedrag te boven gaan, worden aangeslagen over het getal maanden, waarin de inkomsten meer bedragen dan het bij de verordening bepaalde maximum. W.B.A. 2906.

16. Is eenmaal, met inachtneming van art. 245 der gemeentewet, de

Sluiten