Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ning, art. 258 e.v. gemeentewet niet op hem toegepast worden en kan hij derhalve niet gedwongen worden tot betaling van een suppletoiren aanslag.

6. Aanslagbiljetten zijn niet anders dan declaratiën wegens verschuldigde belastingen; zij strekken den debiteur der belasting ten bewijs van den aard der vordering, zoomede van het verschuldigde bedrag, en behooren alzoo tot de stukken, welke art. 12 der zegelwet aan zegel onderwerpt.

Dat een aanslagbiljet zonder geschreven onderteekening tot geen bewijs kan dienen en alzoo de gedrukte handteekening onvoldoende moet worden geacht, is een beweren strijdig met de practijk, daar over het algemeen de aanslagbiljetten met gedrukte naamteekening worden afgegeven en bij de autoriteiten als bewijsmiddel worden aangenomen, bijv. bij reclame tegen het bedrag van de belasting, om plaatsing op de kiezerslijsten enz.

Dat een niet-onderteekend, alleen van een gedrukten naam voorzien aanslagbiljet geen aanslagbiljet is en toch als bewijs voor den aanslag kan gelden, is eene tegenstrijdigheid, welke de belanghebbenden niet kunnen wenschen. Gemist. 1945.

7. Aan den ontvanger mogen bij zijne instructie geene geldelijke lasten opgelegd worden. Hem mag dus wel de zorg voor de uitreiking der aanslagbiljetten opgedragen worden en ook kan de wijze van uitreiking bij instructie bepaald worden, maar voor zoover daaruit noodzakelijk kosten voortvloeien, komen deze ten laste der gemeente. Gemst. 2510.

Zie ook Gemst. 2504 en 2505.

Wij blijven van meening, dat de kosten van invordering — en dus ook de kosten van uitreiking van aanslagbiljetten — moeten komen voor rekening van de gemeente, en achten onbillijk en niet gewettigd door art. 113 der gemeentewet de bepaling in de instructie van een gemeente-ontvanger, dat hij zelf zich met die uitreiking moet belasten of haar voor zijne rekening moet doen geschieden. W.B.A. 2627.

8. Dat de aanslagbiljetten over een zeker dienstjaar eerst in den loop van het volgend jaar worden uitgereikt, mag alleen voorkomen bij suppletoire kohieren, die veelal eerst op het einde of na afloop van het betrekkelijk dienstjaar kunnen vastgesteld worden. Wordt echter een aanslagbiljet uitgereikt na verloop van den bij art. 265 gemeentewet daarvoor gestelden termijn van twee maanden, dan kan de aangeslagene daartegen bij den raad en c.q. bij Ged. Staten reclameeren, omdat de overschrijding van genoemden termijn den belastingschuldige zou kunnen benadeelen in de beoordeeling en eventueele bewijslevering van de onjuistheid van het bedrag. Gemst. 2500.

Sluiten