Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

flnancieele omstandigheden bloot te leggen, omdat hij dun genoodzaakt zou zijn, die zaken, die voor ieder staatsburger geheim mogen blijven, wereldkundig te maken. Ged. Staten deden hem echter opmerken, dat, indien een staatsburger gebruik wenseht te maken van het hem door de wet toegekende recht, zich tegen aanslagen in eenige belasting te verzetten, hij, om van dit recht te kunnen genieten, onvermijdelijk genoodzaakt is, tevens aan het ge/.ag, dat over het verzet heeft te oordeelen, de redenen mede te deelen, waarop dit verzoek steunt, en voorts, dat het onjuist schijnt, aan deze mededeeling der redenen de qualificatie van „wereldkundig maken" toe te kennen.

Wat nu betrof reclamants bereidverklaring, om aan .enkele personen" inzage te geven van zijn vermogen in zijn boeken, oordeelden Ged. Staten, dat de gelegenheid tot het geven van zoodanige nadere inlichtingen slechts kan worden verstrekt, om de reeds in het bezwaarschrift opgenomen specifieke opgaven te staven en waar te maken, doch niet om de opgaven, waarvan dan in elk geval de kennisneming aan den raad zou moeten worden onthouden, alsnog te verschaffen. In deze omstandigheden verklaarden zij dan ook geene termen te hebben, om van s raads advies, dat strekte tot handhaving van den aanslag, af te wijken en wezen zij derhalve de reclame van de hand. Prov. verdag Friesland over 1901; W.B.A. 2772.

40. Een surnumerair der directe belastingen enz. ter standplaats Groningen, die gedurende eenigen tijd belast was geweest met de waarneming en het beheer van het vacant ontvangkantoor te Wolvega, werd door den gemeenteraad van Weststellingwert aangeslagen in den hoofdelijken omslag aldaar. Op zijne reclame bij den gemeenteraad ontving hij eene afwijzende beschikking, omdat hij gedurende zijn verblijf te Wolvega aldaar zijn hoofdverblijf had. De gevraagde tusschenkomst van Ged. Staten van Friesland leidde niet tot een voor den aangeslagene gunstig resultaat, waarop deze zich wendde tot de Kroon, met verzoek om vernietiging, wegens strijd met de wet of het algemeen belang, van het raadsbesluit, waarbij is afgewezen zijne reclame tegen zijn aanslag in den hoofdelijken omslag.

Door den Min. van binnenlandsche zaken, beschikkende krachtens machtiging van de Koningin, is aan den adressant te kennen gegeven, dat er geene termen zijn tot inwilliging van zijn verzoek, op grond:

dat de aanslag en de afwijzende beschikking op de daartoe ingebrachte reclame berusten op het oordeel van den raad, dat adressant gedurende genoemd tijdvak zijn hoofdverblijf in den zin van art. 245 der gemeentewet in Weststellingwerf heeft gehad;

dat adressant de juistheid daarvan ontkent;

dat in een onderzoek naar de feitelijke omstandigheden, waarop de gemeenteraad dit oordeel gegrond heeft, en naar de juistheid van de daaruit

Sluiten