Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hiudclijk en ten slotte volgt liier de conclusie, waartoe de algeineene vergadering van gedelegeerden van de zwitsersche ambachts-vereeniging op 8 Juli 1894, na eene gehouden enquête en uitvoerige discussie, is gekomen.

Dit lichaam heeft den eersten stoot gegeven tot de hervorming van het zwitsersche leerlingwezen: sedert 1880 is het onafgebroken werkzaam geweest in deze richting: het bezit afdeelingen in geheel Zwitserlanden mag dus gerekend worden, meer dan één der andere referenten, den algemeenen toestand te kunnen beoordeelen en weder te geven, wat in Zwitserland gewenscht wordt.

De bedoelde eonclusiën luiden als volgt:

1". De staat neme, onder medewerking der gemeenten en andere vertegenwoordigers der algemeene belangen, de beroepsopleiding der handwerkslieden in alle hare vormen onder zijne bescherming en geve door middel eener wet voorschriften voor het leerlingwezen.

2". De staat neme daartoe op zich de garantie van een voldoend leergeld voor iedere leerovereenkomst, die bij een als daartoe bekwaam en geschikt erkend meester is aangegaan en overeenkomstig de bepaling van een door den staat goedgekeurd contract wordt nageleefd.

Aan deze overeenkomst blijve liet overgelaten, in ieder afzonderlijk geval de détails te regelen aangaande den duur van den leertijd, liet schoolbezoek gedurende dien tijd, liet toezicht gedurende liet examen op het einde van den leertijd, de ontbinding van den leerlingstoestand.

3'. De hoegrootheid van liet leergeld moet voldoende zijn en daarbij worde rekening gehouden met het verlies aan tijd gedurende de werkuren. ontstaande door het schoolbezoek overdag;

4". I it beginsel moet er naar gestreefd worden, dat de leerling bij den meester kost en inwoning geniete:

•»". Aan meesters, die hunne uit het leercontract voortspruitende verplichtingen op ernstige wijze verwaarloozen. moet het recht om leerlingen te houden, langs administratieven weg of door rechterlijk vonnis tijdelijk of voor goed kunnen ontnomen worden;

6". Met de uitvoering dezer bepalingen kunnen in plaatsen, waar zij bestaan, georganiseerde vakvereenigingen worden belast:

De leerwerkplaatsen, evenals andere op te richten vakscholen. moeten in hoofdzaak dienen tot aanvulling der leer bij een meester en dienovereenkomstig worden ingericht. (Bijzondere cursussen in bepaalde jaargetijden en voor verschillende vakken).

De staat (gemeenten, enz.) moet deze scholen ondersteunen en liet bezoek daarvan aanmoedigen.

Sluiten