Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

statistische mededeelingen, welke van de toestanden op dit gebied een duidelijk beeld kunnen geven.

In den zomer van het jaar 1895 is van Rijkswege eene enquête gehouden over de toestanden in het ambacht, voornamelijk niet liet doel om gegevens te verkrijgen voor eene betere organisatie van het ambacht op het gebied van het leerlingwezen. Deze enquête strekte zich uit over 70 verschillende ambachten. Ten einde de stof binnen zoodanige grenzen te houden, dat deze nog in den loop van hetzelfde jaar statistisch zou kunnen worden verwerkt, werd zij beperkt tot enkele daartoe gevormde afdeelingen, gelegen in verschillende streken van Duitscliland '), waarvoor werden aangewezen: in Pruisen het Kegierungsbezirk Dantzig. bestaande uit 12 afdeelingen, het Regierungsbezirk Aachen met 11 afdeelingen , en verder nog 5 afdeelingen in de provinciën Brandenburg, Silezië, Saksen, Hannover en de Rijnprovincie, in Beieren 8 afdeelingen, in Saksen 2 afdeelingen, in Wurtemberg, Baden en Hessen elk 1 afdeeling en ten slotte de vrije stad Ltlbeck, in het geheel vormende 87 afdeelingen , over geheel Duitschland verspreid. De enquête strekte zich uit over ongeveer '/2J van het Rijk, tellende volgens de laatste volkstelling van 1890 2.292.525 inwoners, of ongeveer '/.lt van liet aantal inwoners van geheel Duitschland (49.428.470).

De gegevens der enquête werden in het najaar van 1895 in het Keizerlijk Statistisch Bureau te Berlijn bewerkt en zijn in 8 deelen van totaal 659 bladzijden in druk verschenen -).

Het verzamelen der gegevens geschiedde door middel van telkaarten, uitgereikt aan alle ambachtslieden der 70 ambachten, waarover de enquête zich uitstrekte. In het geheel werden aldus geteld 61199 patroons en 21366 leerlingen, d. i. dus op 100 meesters 84.9 leerlingen. Van deze 61199 patroons werken met leerlingen 14349 of 23.4

Verder worden nu voor alle 70 ambachten afzonderlijk liet aantal patroons, het aantal leerlingen en het aantal patroons met leerlingen opgegeven. Wij zullen ons echter bepalen tot de 28 voornaamste ambachten, in welke zoowel meer dan 100 meesters als meer dan 100 leerlingen in het gebied der enquête aanwezig waren. De 42 overige ambachten hebben veelal zoo lage cijfers, dat statistische gevolgtrekkingen daarbij uiterst gevaarlijk zouden worden. Zoo zal men — om het sterkste voorbeeld te noemen bezwaarlijk kunnen constatceren, dat 100 7o der klokkengieters in Duitschland met leerlingen werken, indien

1) De enquête was dus eeu z.g. „Stichproben-Erhebuiig".

2) Erhebuug über Verhiiltnisse im Handwerk, veraustaltet im Sonimer 1S95, bearbeitet im Kaiserlicheii Statistischen Amt, 1. u. 2. Heft, Berlin 1S95 , 3. Heft, Berliu 1896.

Sluiten