Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Innungen omvatten, zoowel te Berlijn als te Hamburg, slechts een betrekkelijk gering deel van den geheelen ambachtsstand, zoodat aan hare statistieken, reeds van minder beteekenis wegens haar locaal karakter, tegenover de cijfers der Rijksenquète geen groote waarde mag worden toegekend. Eene vergelijking met deze laatste zal dus alleen in groote hoofdtrekken van belang kunnen zijn. In dit opzicht nu vertoonen de drie statistieken belangrijke punten van overeenkomst.

Volgens de cijfers van kolom 4 komen te Berlijn veel leerlingen (meer dan 1'/2 maal het gemiddelde percentage) voor bij de: boekdrukkers, steenhouwers, pottenbakkers, bouwvakken, Schlosser, schilders, behangers en bakkers:

weinig leerlingen bij de: slagers, kleermakers, schoenmakers, mandenmakers, kuipers en wevers;

volgens die van kolom 7 te Hamburg veel leerlingen bij de: boekdruk kers, Schlosser, kuipers, pottenbakkers, schilders, behangers en bakkers;

weinig leerlingen bij de: slagers, barbiers, schoenmakers en mandenmakers.

De boekdrukkers staan dus, zoowel te Berlijn en Hamburg als in de Rijksenquête, bovenaan in de rij der ambachten, welke met veel leerlingen werken. Van de te Berlijn en Hamburg verder daartoe behoorende ambachten komen, wat Berlijn betreft, alleen de bakkers. en wat Hamburg aangaat, alleen de bakkers en kuipers niet met een hoog percentage in de statistiek der Rijksenquète voor. Het groote aantal bakkersleerlingen laat zich echter gereedelijk verklaren uit de omstandigheid , dat zoowel te Berlijn als te Hamburg aan de bakkers-Innung het privilege van § 100e, N°. 3 G. O. ') is verleend, zoodat alle bakkersleerlingen aldaar in de Innung zijn vereenigd. Om deze zelfde reden verliest ook het zeer hooge leerlingpercentage der steenhouwers-Innung te Berlijn — bij de lage cijfers van meesters (27) en leerlingen (99/ reeds van zeer weinig waarde — ongeveer alle beteekenis, terwijl ook voor de beoordeeling der betrekkelijk hooge cijfers bij de schilders-Innung te Berlijn en bij de pottenbakkers-Innung te Hamburg het aan deze Innungen verleende privilege van § 100", N°. 3 G. O. niet buiten aanmerking mag worden gelaten. Het zeer hooge leerlingpercentage bij de kuipers-Innung te Hamburg is niet op dezelfde wijze te verklaren, doch heeft bij het uiterst geringe aantal meesters (39) en leerlingen (45) weinig statistische waarde.

Wat de ambachten met weinig leerlingen betreft, staan, evenals in

>) Zie de noot op blz. 70.

Sluiten