Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ile Kijksenquète, ook te Berlijn en Hamburg de schoenmakers en mandenmakers onderaan, terwijl eveneens te Berlijn de wevers-Innung liet allerlaagste cijfer aanwijst. Het uiterst geringe aantal leerlingen in de schoenmaker s-Innungen heeft des te meer beteekenis, omdat deze én te Berlijn èn te Hamburg in het bezit zijn van het privilege van § 100", N°. 3 G. O. Onder den invloed van locale omstandigheden komen in ljeide steden bij de slagers, voorts te Berlijn bij de kleermakers en te Hamburg bij de barbiers (de Innung heeft het privilege van § 100'', N°. o (O.) weinig leerlingen voor.

Lit het bovenstaande blijkt wel, dat met betrekking tot het meer of minder afsluiten van leerlingcontracten in de verschillende ambachten de toestanden in de berlijnsche en hamburgsche Innungen in hoofdzaak dezelfde zijn als die voor geheel Duitschland, zooals deze ons uit de gegevens der Rijksenquéte zijn gebleken.

De groote beteekenis van het leerlingwezen voor het gelieele ambacht blijkt nog uit de volgende cijfers:

Van de '>9592 mannelijke meesters, waarover de enquête liep, hebben een leertijd doorgemaakt 57666 of 96.8 °/„, waarvan 96.1 °/„ in hun tegenwoordig en 0.7 " 0 in een ander ambacht. Het komt dus uiterst zelden voor, dat een gezel zich vestigt in een ander ambacht dan waarin hij werd opgeleid.

!)<>.! "/0 der meesters hebben hun leertijd doorgebracht in de werkplaats en slechts 0.7 % in de fabriek: de groote massa der meesters is dus in het ambacht gevormd.

Deze cijfers zijn voor ongeveer alle ambachten dezelfde; eenigszins belangrijke afwijkingen komen niet voor.

Minder dan 90"/0 meesters, die een leertijd in de werkplaats hebben doorgemaakt, hebben slechts de 3 volgende ambachten:

Brouwers S6.2 "/0 ,

Boekdrukkers 85.4 °/0f Molenaars 77.2 °/l(;

meer dan 99°/0 de 7 volgende:

Schlosser 99.1 °/0,

Smeden 99.2 "/„ ,

Kleermakers 99.2 "/#,

Schoenmakers 99.2 "/0,

Zadelmakers 99.3 °/0,

Behangers 99.3 °/0 ,

Pottenbakkers 99.7 °/0.

Sluiten