Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In <le provincie isileziö schijnen de oude zeden zich nog in het algemeen te hebben gehandhaafd. Niet alleen toch uit de kleinere plaatsen, doch ook uit Breslau wordt bericht, dat in de meeste ambachten nog kost en inwoning en leergeld gebruikelijk zijn. Het bedrag van het leergeld hangt at van den duur van den leertijd, afwisselend tusschen 50 en 150 Mark, soms zelfs tot 200 en 800 Mark. Ook Dresden schijnt eenigermate eene uitzondering te vormen op den algenieenen regel, dat in groote steden geen leergeld meer wordt betaald. Het Gewerbeamt aldaar deelt mede, dat betaling van een leergeld in alle vakken gebruikelijk is. terwijl ook van andere zijde wordt verklaard, dat alleen dan geen leergeld wordt betaald, indien de leerlingen langer dan 3 jaren leeren.

Het koninkrijk Wurtemberg, dat in het algemeen voor het in eere houden van oude zeden als type kan gelden. is ook in dit opzicht meer dan andere streken nog aan de oude traditiën getrouw gebleven. al beginnen ook hier zich de nieuwere opvattingen in den lateren tijd meer te doen gelden. Toch kan de inspecteur van den arbeid in het 2Je District in zijn rapport over 1S90 nog verklaren, dat in den regel een leergeld wordt betaald, al is het bedrag ook dikwijls uiterst gering (50 tot 80. hoogstens 10<> Mark), en dat. waar geen leergeld wordt betaald, de leertijd een half of één jaar langer duurt. In overeenstemming biermede verklaart de voorzitter van liet Gewerbegericht te Stuttgart, dat in alle ambachten, met uitzondering alleen van de steenhouwers en timmerlieden, leergeld wordt betaald, afwisselend van 50 tot 500 Mark, terwijl leerlingen, die geen leergeld betalen, '/2 of 1 jaar langer moeten leeren. De nederlandsche consul-generaal te Stuttgart, die, naar hij mededeelt, zijne inlichtingen heeft verkregen van Prof. Giessler, voorzitter van den Gewerbeverein voor Wurtemberg, bericht, dat in de laatste jaren slechts zeer enkele patroons, inzonderheid boekdrukkers. geen leergeld meer verlangen.

In het groothertogdom Baden zijn, in tegenstelling tot Wurtemberg, meer de nieuwere opvattingen doorgedrongen. Het belangrijke rapport van het ministerie van hinnenlandsche zaken te Karlsruhe, dat ons op ons verzoek om inlichtingen betreffende de z.g. „Lehrlingswerkstatten" (zie hieronder blz. 143 vlgg.) met bijvoeging van een aantal op het leerlingwezen betrekking hebbende bijlagen werd toegezonden, bericht aangaande het leergeld al« volgt: „Gebruikelijk is het leergeld in het ambacht niet meer. Wel wordt bij werktuigkundigen en horlogemakers nog leergeld betaald en dan tamelijk veel, 30<> tot 4<>0 Mark. De barbiers-Innung te Karlsruhe neemt geen leerling zonder leergeld aan. gewoonlijk is het bedrag 2(K) tot 300 Mark (nooit beneden 150 M.); in andere plaatsen echter ontvangen ook de barbiers geen leergeld en zijn

Sluiten