Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in welke blijkens <le uit alle deelen van üuitschland ontvangen inlichtingen steeds loon wordt gegeven. Hierbij moet worden opgemerkt, dat van eene leerlingopleiding in den eigenlijken zin des woords l.ij de bouwvakken moeielijk sprake kan zijn, daar de leerlingen er meer als „jugendhche Arbeiter" worden beschouwd in verband ook met de in liet bouwvak geregeld terugkomende perioden van werkloosheid.

Wel wordt in den regel een zakgeld of kostgeld gegeven. ingeval de leerling niet bij den meester inwoont. In de kleinere steden en op het platteland komt dus de betaling van een zakgeld slechts zelden voor, terwijl het daarentegen in de groote steden in den regel aan de leerlingen wordt uitgekeerd. Het bedrag is meestal zeer gering; gewoonlijk wordt het betaald onmiddellijk van liet begin van den leertijd, met jaarlijksche verhoogingen. Hieraan ligt ten grondslag de overweging, dat liij betaling van een gelijkblijvend loon gedurende den geheelen duur van den leertijd de leerling in het latere deel van den leertijd, wanneer hij meer kan praesteeren. het gevoel zou krijgen, meer te kunnen verdienen. indien liij elders een betrekking ging zoeken, en dus op deze wijze contractbreuk in de hand zou worden gewerkt. De leerlingen. en ook hunne ouders, vergeten later allicht, dat de meester in het begin van den leertijd door het werk van den leerling al zeer onvoldoende voor zijn moeite en kosten is schadeloosgesteld. Eene jaarlijksche stijging van liet zak- of kostgeld vermindert de neiging tot contractbreuk en is den leerling een spoorslag. steeds zijn best te doen en zijn leertijd uit te dienen.

In de berlijnsche Innungen wordt alleen door de smeden, schoorsteenvegers. schoenmakers en bakkers — ambachten, waar het inwonen van den leerling l»ij den meester is blijven bestaan — in den regel geen kostgeld gegeven. Het kostgeld bedraagt: bij de steenhouwers 4 a l> Mark in het eerste tot * a 12 Mark in liet laatste jaar, bij de wevers hoogstens 3 Mark. bij de schilders van 4 Mark in het eerste tot 7 Mark in het laatste jaar, bij de kuipers van 3.5 Mark tot 6 Mark, bij de behangers van 4 Mark tot it Mark. Bij de goudsmeden komt liet voor. dat het kostgeld eerst ingaat na afloop van het eerste jaar.

Uit andere plaatsen worden ongeveer dezelfde bedragen vermeld. In kleinere plaatsen bedraagt liet maximum t> Mark per week, in groote steden stijgt liet dikwijls tot t> Mark en een enkele maal nog liooger.

Evenals bij de goudsmeden te Berlijn komt liet ook in andere plaatsen bij hooger staande ambachten (werktuigkundigen, lithografen e.d.) voor, dat het kostgeld eerst in het tweede jaar ingaat.

Het loon (zakgeld, kostgeld) wordt in den regel aan de leerlingen zeiven en niet aan de ouders of voogden uitbetaald.

Sluiten