Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij voorkomt. niet gemaakt zonder de noodige reserven omtrent overwerk , waarmede derhalve de beteekenis eener dergelijke regeling voor een goed deel wordt weggenomen.

Voor het ambacht bestaan geen wettelijke bepalingen betreffende den werkdag, wel voor de fabrieken in 135 en volgende der G. O., waarbij voor kinderen beneden 13 jaar elke arbeid in fabrieken wordt verboden, voor kinderen beneden 14 jaar een maximum-werkdag van 6 uur en voor jongelieden van 14 tot 16 jaar een maximum-werkdag van 10 uur wordt voorgeschreven. Bij de Novelle van 1897 (§ 154, 3<l« lid) zijn deze bepalingen ook toepasselijk verklaard op alle werkplaatsen, waarin elementaire beweegkracht (stoom, wind, water, gas, lucht, electriciteit, enz.) doorloopend wordt gebruikt, terwijl zij volgens § 154. 4'1'' lid, door keizerlijk besluit met toestemming van den Bondsraad ook tot andere werkplaatsen kunnen worden uitgebreid. Een dergelijk besluit is tot dusverre alleen verschenen voor de werkplaatsen der Kleider- und Wfische-Konfektion (31 Mei 1897). Voorts bestaan ook sinds het voorjaar van 1896 bijzondere bepalingen voor het bakkersbedrijf. De hierin gebruikelijke abnormale werktijd — dank zij den wensch van het publiek, 's morgens steeds versch brood te hebben — heeft er toe geleid, bijzondere bepalingen ter bescherming zoowel van gezellen als van leerlingen vast te stellen. Bij besluit van den Bondsraad van 4 Maart 1896 is voor bakkerijen, waarin tusschen half 9 's avonds en half 6 's morgens wordt gewerkt , voor de gezellen een maximum-werktijd van 12 uur voorgeschreven, terwijl de werktijd der leerlingen in het eerste jaar 2 uur en in het tweede jaar 1 uur minder moet bedragen dan die der gezellen.

Klachten over te veel werk komen hier en daar onder de ambachtsleerlingen wel voor, in het bijzonder in die bedrijven, waar de aard van het bedrijf zelf een abnormalen arbeidstijd medebrengt en in verband daarmede nog de gewoonte heerscht, dat de leerling bij den meester kost en inwoning geniet (bakkers, slagers, schoenmakers e. d.). In liet algemeen leidt het wonen bij den meester, onverschillig in welk ambacht, er toe, dat de leerling langer wordt bezig gehouden, zij het ook niet in het bedrijf zelf, dan toch voor verschillende huiselijke diensten, welke van hem worden gevorderd. Voorts moet ook ter beoordeeling van den duur van den werkdag in aanmerking worden genomen, dat in sommige ambachten na afloop van den eigenlijken werktijd de leerlingen nog zijn aangewezen voor allerlei bezigheden, als liet opruimen van de werkplaats bij schrijnwerkers, timmerlieden en dergelijken, het wegbrengen van afgemaakt werk bij schoenmakers, het opnemen van bestellingen bij slagers, en dergelijke dingen meer. Hierdoor laat het

Sluiten