Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In. het algemeen zijn deze cijfers zeker niet ongunstig. Slechts 22.1 % van alle leerlingen, 12.6 % van alle leermeesters, 21.6"/,, van alle leermeesters zonder gezellen met leerlingen, 4.9 ®/0 van alle leermeesters met gezellen en leerlingen vallen in de categorie, waarbij van een bovenmatig leerling-houden sprake kan zijn. Wij mogen dus wel concludeeren. dat, over het geheel genomen, het aantal leerlingen tot dat der gezellen in één werkplaats in eene juiste verhouding staat.

Eenigszins anders worden echter de resultaten. wanneer wij de cijfers voor de verschillende ambachten afzonderlijk beschouwen. Wij zullen ons ook hier bepalen tot de 29 ') voornaamste ambachten (met meer

dan 100 meesters en meer dan 100 leerlingen).

A an de 100 meesters zonder gezellen doch mef leerlingen hebben een te groot aantal leerlingen:

hij de: bij de:

wevers 1.9 kuipers 22.1

molenaars 2.3 boekbinders 22.4

timmerlieden 3.9 horlogemakers 22.7

glazenmakers 8.3 schrijnwerkers 22.9

mandenmakers 10.9 draaiers 23.7

metselaars 11.7 bakkers < . 23.9

slijpers 12.2 kleermakers 26.5

brouwers 14.3 blikslagers . 33.1

pottenbakkers 14.8 barbiers 36.8

smeden (vuurwerkers). . . 15.3 steenhouwers 41.2

schoenmakers 15 4 boekdrukkers 47.1

wagenmakers 15.7 banketbakkers 49.1

slagers 19 Schlosser 57

behangers 20

schilders ...... 20.1

zadelmakers 21.1

gemiddeld bij alle ambachten te zamen: 21.6.

') Zie dc noot op blz. 93.

Sluiten