Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen zich vooral kennen Hobeii (iarbe in zijn bekend werk: „Der zeitgemiisse Ausbau des Lehrlingswesens fflr Industrie und Uewerbe" en Dr. I'aul Scheven in zijn reeds aangehaald boek over de „Lehrwerkstatte". Beide schrijvers beschouwen de leerlingexainens als één der krachtigste middelen tot verbetering der vakopleiding en leggen vooral den nadruk <>]> de groote moreele kracht, die daarvan uitgaat. Invoering van verplichte leerlingexamens is naar hunne meening het eenige doeltreffende middel 0111 te verhinderen. dat de leerlingen in handen komen van meesters, die zelf niets van hun vak verstaan. Daaraan zou dan tevens de invoering van leerplicht voor vak- en herhalingsscholen moeten worden verbonden.

In de praetijk zal zeker eene algemeene doorvoering der leerlingexamens met het oog op het groote aantal der examinandi op niet geringe bezwaren stuiten. Daarbij zou men tegen de argumentatie der voorstandei's kunnen aanvoeren, dat het ter voorkoming van het misbruik, dat onbevoegden zich met de opleiding van leerlingen l>ezighoudenr niet noodig is alle leerlingen zonder onderscheid waarvan de meesten het later toch niet tot patroon zullen brengen — aan een examen te onderwerpen, doch het daartoe voldoende is, zooals in de Novelle van l'S!t7 is geschied, voor de bevoegdheid tot het houden van leerlingen bepaalde vereischten van bekwaamheid te stellen.

De Novelle van 1897 volgt ten aanzien van liet vraagstuk der obligatoire leerlingexamens een middelweg, door in 4? 131 te bepalen, dat de leerling steeds liet recht heeft na afloop van den leertijd eene „Priifung" te vorderen, terwijl volgens § 131c in het oorspronkelijke regeeringsontwerp niet opgenomen, doch bij besluit van den Rijksdag daaraan toegevoegd de Innung en de meester den leerling moeten aansporen, zich aan een examen te onderwerpen. De examencommissie bestaat uit een voorzitter, te benoemen door de Handwerkskammer, en ten minste twee leden, van welke steeds de helft uit gezellen moet bestaan. Het examen moet volgens § 1316 het bewijs leveren, dat de leerling de in zijn ambacht gebruikelijke handgrepen kent, voldoende zekerheid van technische uitvoering heeft en zoowel van de waarde, herkomst, tiewaring en behandeling der grondstofien als van de kenteekenen harer goede en slechte eigenschappen op de hoogte is; het kan verder ook lnopen over boekhouden en handelsrekenen. Bij de aangifte voor liet examen moeten liet gewone getuigschrift van § 127c"iema G. O. en, voor zooverre de candidaat gedurende den leertijd verplicht was een vak- of herhalingsschool te bezoeken, ook het getuigschrift dezer scholen worden overgelegd. De uitslag van het examen wordt door de examencommissie op hetLehrzeugniss ot den „Lehrbrief' aangeteekend. Indien de candidaat

Sluiten