Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reeds verstreken gedeelte tot den geheelen duur van den leertijd, tenzij de oorzaak der ontbinding ligt in wanpraestatie zijnerzijds, in welk geval hij alle recht op vergoeding verliest en zelfs gehouden is een hem eventueel reeds uitbetaald bedrag te restitueeren.

Bij de oprichting van „Lehrlingswerkstatten" heeft men van den beginne af de voorkeur gegeven aan de ambachten, welke gebruiksartikelen voor de groote massa der bevolking leveren en tegenover de toenemende concurrentie der groot-industrie verhooging der bekwaamheid van den ambachtsman het meest noodig hebben. Buiten beschouwing zijn dus gebleven de ambachten, welke verbruiksartikelen voortbrengen, als bakkers, banketbakkers, slagers enz., aangezien deze niet zoozeer tegen

concurrentie der groot-industrie hebben te strijden en de daarin vereischte bekwaamheid ook op de gewone wijze wel te verkrijgen is: verder barbiers en kappers met liet oog op hun goede vakscholen, en de bouwambachten, als timmerlieden, metselaars, leidekkers, omdat men meende, dat daar van een leerlingwezen in den eigenlijken zin .les woords geen' sprake meer kon zijn. De kunstambachten, als graveurs, ciseleurs, juweliers, émail- en glasschilders, in welke gebrek is aan goede krachten, zijn niettemin voorloopig nog niet in de nieuwe instelling opgenomen, omdat daarvoor verscheidene goede vakscholen bestaan.

De „Lehrlingswerkstatten" hebben zich in den korten tijd van haar bestaan goed ontwikkeld. Tegenover 56 dergelijke werkplaatsen in 21 ambachten aan liet einde van 1889, bestonden er in het laatst van 1895 104 Lehrlingswerkstatten in 21 ambachten, verdeeld over 28 verschillende plaatsen. Daarbij zijn de volgende ambachten vertegenwoordigd: schrijnwerkers 22, blikslagers en installateurs 14, kleermakers 12, schilders 9, Schlosser 5, wagenmakers 5, boekbinders 5, zadelmakers 4, glazenmakers 4, schoenmakers 4, draaiers 4, steenhouwers 3, werktuigkundigen 3, koperslagers 2, smeden 2, tuinlieden, behangers, pottenbakkers, bontwerkers, horlogemakers en mandenmakers ieder 1, niet totaal 128 leerlingen. In het geheel werden tot aan liet einde van 1895 400 leerlingen in de leerlingwerkplaatsen opgenomen; van dezen waren 43 vóór het einde van den leertijd weggegaan, hadden 229 hun leertijd behoorlijk afgeloopen en waren 128 nog als leerlingen werkzaam.

De meesten der patroons, die zich voor eene >Lehrlingswerkstütte" aanmelden, zijn uit kleinere plaatsen afkomstig. Van de groote steden zijn alleen Karlsruhe (met 10 leerlingwerkplaatsen voor blikslagers, draaiers, Schlosser, behangers en kleermakers) en Heidelberg (niet werkplaatsen voor boekbinders, schrijnwerkers en schilders) vertegenwoordigd. Deze geringe deelneming der grootere plaatsen zal wel voornamelijk hieruit verklaard moeten worden, dat zoowel door de meesters

10

Sluiten