Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan o>k, uiet meer iu staat is, zijne (speciaal de in § 4 neergelegde) bij deze overeenkomst aangegane verplichtingen tegenover den leerling na te komen.

Waar geen onmiddellijk gevaar voorhanden is en ook de voortzetting van het leercontract niet vau zelf uitgesloten schijnt, moet aan de verbreking van het contract eene kennisgeving met het stellen van een termijn van 14 dagen voorafgaan.

§ 11. In geval van tusschentijdsche verbreking van deze overeenkomst wordt liet vastgestelde leergeld tot op den dag van vertrek op die wijze berekend, dat de hel/l voor het eerste '/a > ^U!ee zesden voor het tweede '/:i en één zesde voor het laatste '/3 van den leertijd moet betaald worden.

Heeft de tusschentijdsche verbreking plaats zonder schuld van den meester, dan heeft deze bovendien recht op eene billijke schadeloo sstclliug, onder inachtneming vau de reeds plaats gehad hebbende wederzijdsehe praestatiëu.

Heeft daarentegen dc meester wegens opheffing zijner zaak of op andere gronden schuld aan de tusscheutijdsehe verbreking, dan is hij verplicht den leerling tot voortzetting zijnêr leer, ouder ten minste even gunstige voorwaarden, ecuen auderen bekwameu leermeester te verschaffen of iu de plaats daarvan den leerling naar verhouding schadeloos te stellen.

Deze bepalingen zijn ook toepasselijk (voor zoover mogelijk) bij tusschentijdsch overlijden vau leermeester of leerling.

§ 12. Indien de leerling ten gevolge van militaire diensten, ziekte of van audere niet door den meester veroorzaakte redenen, meer dan '/ao van den overeengekomen leertijd verzuimt, is de leermeester gerechtigd den leerling tot liet inhalen van den verzuimden werktijd na afloop van den vastgestelden leertijd in dienst te houden, De leermeester heeft zich hierover ten minste 2 weken vóór het einde vau deu overeengekomen leertijd tegenover de andere partij uit te laten.

Bij de berekening van deu verzuimden tijd komen intusschen slechts in aanmerking verzuimeu vau meer dau 3 op elkaar volgende werkdagen.

§ 13. Iudieu gedureude den duur dezer overeenkomst of bij tusschentijdsche verbreking geschillen ontstaan en eene minnelijke schikking niet tot stand kan komen, wordt liet geschil ter beslissing in laatste instantie voorgelegd aan een scheidsgerecht.

Voor zoover ten tijde vau het ontstaan van het geschil in de woonplaats van den meester een door den staat erkend „gewerbliches Sehiedsgericht" bestaat, is dit bevoegd ten deze te oordeelen.

Zoo zulk een scheidsgerecht alsdan niet bestaat, wordt er een gevormd uit één vertegenwoordiger van iedere partij en een voorzitter, door beiden te kiezen.

Mocht men het over de keuze vau den voorzitter niet kunnen eens worden, dan moet die benoemd worden door den daartoe bevoegden rechter.

Sluiten