Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minee of pastoor en zullen ook zonder dat bondgenootschap buiten de neutrale vakbonden blijven.

leder die de zoo teere kwestie kent, begrijpt, welke misverstanden deze bespreking mogelijk maakte - wat op zich zelf niet zoo erg was daar juist de nadere behandeling dier misverstanden mijne bedoeling beter aan het licht kon doen komen en de lezers beter in de kwestie kon inleiden.

Zoo meende J. W. Gerhard, dat ik „sociaal-demokratische vakverenigingen wenschte, terwijl Spiekman, die in hoofdzaak met mij instemde, doch van geen duurzaam verbond wilde weten (hoewel hij dit zelf in den Rotterdamschen Bestuurders bond met succes aanvoert) uit mijn beschouwingen had afgeleid, dat ik de leden der...vakvereenigingen wilde verplichten, sociaal-demokratiscn te stemmen.

Natuurlijk werd van deze gelegenheid om èn de Partij, èn met namo ce oo dredaktie 'v an Het Y o 1 k bij de vakvereenigingen m een valsch licht te plaatsen en verwarring te kweeken omtrent mijne bedoelingen, door de tegenstanders - met name door het

°TVf S —. greti" partij getrokken.

Met name werden Spiekman en ik tegen elkander uitgespeeld en de zaak zoo voorgesteld, alsof ik de vakvereenigingen tot bijwagen wilde maken van de S. D. A. P.

In HetVolk van 17 Februari *1901 no. 270 kwam ik tegen fcpiekman s misvatting op; ik zeide, niet als een p 1 i c h t aan de vakvereenigingen te willen voorschrijven, wat m. i. slechts langs natuurlijken weg zal voortvloeien uit het innig verband tusschen de heide vormen der arbeidersbeweging.

Het artikel, waarop S. zich beriep, bedoelde niet een reglement op te stellen voor het komitee, waarin vakbeweging en Partij zouden verbonden zijn; maar ik nam aan, dat arbeiders, die voor onze direkte arbeiderseischen in de vakorganisatie traden, reeds daardoor in zake de praktische politiek aan onze zijde komen te staan. J

Ik konstateerde dus een w e n s c h e 1 ij k h e i d , waarvan m. ï de vervulling reeds voortvloeide uit het verband

te leggen^ ^ tusschen de Parti^ en de vakorganisatie wenschte

In het nummer van 20 Februari 1901 herhaalde ik:

„dat wij geene de minste belijdenis van eenig beginsel van toetreding tot de vakbeweging zouden willen eischen en evenmin de vakbeweging eenige verplichting zouden willen opleggen in zake de verkiezingen. Wel meenen wij, dat zij, indien zij hun belang goed begrijpen, de politieke arbeidersbeweging en dus ook de kandidaten daarvan, als hunne aangewezen vertegenwoordigers moeten beschouwen; maar dat „moeten is geen hun opgelegde „plicht", integendeel dient elke vakvereemging zelve te weten, wat haar in dezen te doen staat."

ie Seer.T^a,ngenaai11 trof my' dat Gorter in H e t V o 1 k van 16 Maart 1901 van deze nadere verklaring mijner meening ge-

Sluiten