Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tisclie partijen niet beter treffen dan door hun dit agitatie-middel te ontnemen." (Kroniek 362).

Ook hij vereenigt zich met de konklusie, waartoe A H. Gerhard als vrijdenker kwam in de Vrije Gedachte, een konklusie, die alle sociaal-demokrateu, welke zich (buiten Bijkerk) tot heden óver de zaak uitlieten, kunnen onderschrijven: de bijzondere school worde volkomen gelijk gesteld in rechten en materiëele plichten als de openbare school.

Niet dat zoovele partijgenooten kwamen tot deze gemeenschappelijke konklusie, die ons voor de praktische politiek der loopende vier jaren volkomen voldoende schijnt; doch de gronden waarop, geven ons de overtuiging, dat de motie der S. D. O. V. althans door de Partij zelve niet zal worden aangenomen.

Die gronden tocli zijn alle ontleend aan het belang der arbeidende klasse, aan het moderne denken, aan de leer van klassenstrijd.

De zedelijke en verstandelijke verlichting des volks, in onderscheiding met de gewone stoffelijke produktie, kan nooit door de mechanische kracht van den staat in een zekere richting gedwongen worden. Elke dwang op geesteljjk gebied kweekt de plant, die hij dooden wil. Wat een meerderheid dom en verwerpelijk vindt, kan de eenige vorm zijn, waarin de minderheid hare heiligste gevoelens weet te kleeden en te uiten.

De ekonomische ontwikkeling der maatschappij en de daaruit volgende politieke organisatie van het proletariaat met zijn lichtbrengende, levenwekkende werkzaamheid — ziedaar de krachten, waarop wij voor de geestelijke vrijmaking des volks veilig kunnen vertrouwen!"

Tot goed verstand van de verwijzing naar no. 328 van de Kroniek, waarin de redaktie van de Nieuwe Tijd zich met Tak's beschouwing vereenigt, leze men het gedeelte vanVan der Goes' artikel in dat blad, waarin die mededeeling voorkomt (Bijlage 3).

In no 556 van H e t V o 1 k formuleerde ik zelf mijne meening over de kwestie in de volgende motie:

„De S. D. A. P. stelling nemende ten opzichte van het bestaande streven, om aan de bijzondere school dezelfde rechten te verleenen als aan de openbare, verklaart:

dat hoewel in de gegeven omstandigheden in ons land de neutrale staatsschool onmisbaar is, een groot deel des volks nit godsdienstige overwegingen aan den geest van het onderwijs eischen stelt die op deze school niet kunnen worden bevredigd en waaraan door aanvulling van het openbaar onderwijs met afzonderlijk godsdienstonderwijs niet kan worden voldaan;

dat de heerschende klassen zoowel het openbaar als het bijzonder onderwijs trachten dienstbaar te maken aan de bevestiging hunner macht en de handhaving der burgerlijke maatschappij; waarbij liet evengoed mogelijk is, dat de toenemende politieke invloed der arbeiderspartij de staatsschool in dit opzicht zal verbeteren, als dat deze bij verscherping van den klassenstrijd een meer reaktionair karakter zal verkrijgen, terwijl de bijzondere school als kweekplaats van reaktionaire inzichten in grootere mate tegen de sociaal-demokratie zal gericht blijven;

dat dit geen reden mag zijn, om de bijzondere school van staatswege direkt of indirekt tegen te werken, vooral ook, daar op het

Sluiten