Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als Gorter zelf aan 't roer zijn. Het maandenlange gewurm met dit manifest, de talrijke concepten, alle op hun beurt afgekeurd, omgewerkt, enz., totdat eindelijk het holle manifest-Mendels uit de lucht kwam vallen — dat alles heeft mij getoond, dat in het tegenwoordige P. B. politiek inzicht en leiding niet in voldoende mate aanwezig zijn en dat iemand die als adviseur daarin zitting heeft, zijn tijd nuttiger kan besteden. Het was weer dezelfde kwestie als met de redaktie van H e t \ o 1 k : men is sterk in kritiek en verzet, maar tot eigen initiatief en leiding ontbreekt de kracht.

Men zal begrijpen, dat ik deze onaangename historie, waardoor al weer een psychologisch moment voor 't op touw zetten eener deugdelijke aktie is verzuimd, niet voor mijn genoegen ophaal. Het is echter noodig, om voor de toekomst verbetering tot stand te brengen; ik zal dan ook in het laatste hoofdstuk voor de politieke leiding der Partij hieruit de noodige konklusies trekken.

Overigens behoeft men slechts de berichten der P. B.-vergaderingen te lezen, om in te zien, dat de versterking van 't getal als „revolutionair" of „proletarisch" (in den boeken-zin!) bekend staande elementen, de kracht daarvan niet heeft versterkt. Ik wil hier spreken, zooals ik denk: de zaak is te ernstig voor bemantelen. Het kenmerk van dit P. B. is, dat breedheid van opvatting ontbreekt!. Het advies over de zaak-\ an Gils was beneden de waardigheid van een lichaam, waarvan leiding en voorlichting kon worden verwacht; de moties, nu en dan als terugslag op persuitingen van partijgenooten aangenomen, deden vaak denken aan soortgelijke moties van een verbolgen N. A. S.-bestuur; het P. B. verknoeide een macht van tijd, moeite en geld aan kwesties, die absoluut niet tot zijne kompetentie behoorden (zaak-Wijnkoop, geschil Troelstra-Van der Goes).

Daarentegen liet het P. B. ons in den steek, waar het gold, de Partij tot een duurzame aktie te brengen en konflikten, als die tusschen den Amsterdamschen Bestuurdersbond en onze afdeelingen met het partij-orgaan, te voorkomen of op te lossen.

Het rapport van het P. B. in zake de zoogen. kwestie „Troolstra-Gorter" is zeker goed bedoeld, getuigt zelfs van veel monnikenwerk; maar had evengoed achterwege kunnen blijven, daar het den zakelijken ondergrond dier kwestie en haar belang voor de Partij geheel onbesproken laat, voor het a.s. Kongres geen enkele konklusie trekt en niets doet, dan met stemming uitmaken, wie gelijk heeft. Het stuk is alleen interessant" als dokument van de overdreven beteekenis, die sommige personen hechten aan cijfers: het eenige toch, wat de partijgenooten ten slotte uit het rapport kunnen te weten komen, is, met hoeveel stemmen vóór en tegen de verschillende konklusiën zijn genomen. Moest deze zaak tot zóó kleine afmetingen worden teruggebracht , dan had men toch beter gedaan, haar over te laten aan een kommissie, zooals beide partijen hadden gevraagd. Thans beteekent de „uit-

Sluiten