Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfs van den landbouw. Staat en gemeenten moeten de werkloosheid door werkverschaffing tegengaan, en dat niet alleen op kosten der grondeigenaars, maar van alle bezittenden.

Werden de pachters verplicht, in den winter overtollige arbeiders in dienst te houden, dan zouden zij allerlei huisindustrieën moeten invoeren (mattenvlechten, houtsnijden, enz.) om den menschen werk te verschaffen en in een soort sweater ontaarden.

Troelstra, die in het April-nummer van De Nieuwe Tijd in een artikel getiteld „Het agrarisch program" Kautsky beantwoordde, begon met instemming te konstateeren, dat Kautsky geen bezwaar had geopperd tegen den opzet van ons program, hetwelk ook het pachtstelsel betrekt in den strijd tegen het kapitalisme.

Hij erkende de juistheid van Kautsky's opmerkingen omtrent de werkloosheid, doch achtte deze niet van toepassing op punt 4, dat slechts bedoelt, den boer een minimum-getal arbeiders, ook voor den winter, op te leggen, welk getal berekend moet worden naar de landbouwwerkzaamheden, die in den winter bij goed beheer kunnen, maar tegenwoordig in vele streken niet worden verricht (slooten greppelen, grond vergraven, boomen rooien, enz.) door gemis aan bedrijfskapitaal van den boer.

Hij verwees hierbij naar de vakvereeniging ,,Broedertrouw'', die in 1889— 1890 dezen eisch aan de boeren stelde en naar de Friesche vereeniging „Door arbeid tot verbetering", die hierover een enquête had gehouden.

Kautsky's tweede bezwaar gold punt 7: de wijze van uitgifte en bewerking van gemeentegrond. Zijn hoofdbezwaar is gericht „tegen den eisch, dat, wanneer ik liet goed begrijp, het de gemeente mogelijk gemaakt moet worden, uit iederen landelijken loonarbeider een zelfstandig landbouwer te maken. De uitvoering van dezen eisch zou niets zijn dan ieder "£rooter landbouwbedrijf op het land onmogelijk maken, omdat men het de arbeiders onttrekt, en het zeer kleine bedrijf tot deneenig mogelijken bedrijfsvorm in den landbouw."

De meeste landbouwkundigen, zegt Kautsky, . zijn voor een vermenging van grootten van bedrijf, voor algemeen zeer klein bedrijf zijn op zijn hoogst eenige aanhangers van de kleinburgerlijke demokratie. liet is de aan de laatste eigene methode, den loonarbeid op het land op te heffen." Daartegenover stelt Kautsky de soc. dem methode, die geene verdeeling wil van afzonderlijke ondernemingen, maar hun overgang in maatschappelijk (staats-, gemeenteljjk of koöperatief) bedrijf Daarom geeft Kautsky de voorkeur aan het Belgische program, dat verlangt: toewijzing van gemeentegronden aan vereenigingen van arbeiders, die zich verplichten, geen loonarbeiders te gebruiken. Echter wil hij in plaats van „toewijzing" liever ..verpachting" lezen, opdat de zekerheid bestaat, dat de grondrente niet aan de koüperaties, maar aan het volk komt.

Troelstra voerde hiertegenover aan, dat, indien het de bedoeling ware, alle landelijke loonarbeiders tot kleine boeren te maken, in het program moest staan: „aan a//e" of aan de ingezeten arbeiders", wat niet het geval is. „Men wil, naarmate de behoefte het eischt en er grond beschikbaar is, een deel der landarbeiders gemeentegrond in gebruik geven, in zoodanigen omvang, dat zij niet meer in loondienst behoeven te werken. De konkurrentie tusschen de loonarbeiders vermindert daardoor en de mogelijkheid om de loonen verhoogd te krijgen, wordt voor de overblijvenden grooter."

Hij toonde verder aan, hoe deze paragraaf een poging is. om de bestaande behoefte aan grond, die zich uit in het huren van kleine akkertjes nevens den loondienst, om te zetten in eene meer bewuste aktie, die het tot een werkelijk voordeel voor de arbeiders zal maken."

Sluiten