Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geene zusterpartij wil iets van deze punten weten, heette het, alle hebben programpunten als de onze verworpen.

Die punten, men weet het, zijn de regeling van het pachtkontrakt ten bate van den pachter en ten nadeele van den grondeigenaar, benevens de uitbreiding van het gemeentelijk grondbezit en uitgifte van dien grond aan arbeiders.

Welke zijn de bezwaren, tegen die pachtparagraafingebracht?

Gorter wil alleen voor den pachter, die geen arbeiders gebruikt, de groote der pacht vaststellen; niet voor den pachter die tevens patroon is.

Ziehier één verschil tusschen hem en ons program, waarin hij het Belgische program, dat geen verschil tusschen pachters en pachters maakt, tegenover zich vindt.

Van minder belang is de vraag, of het beginsel, waarop de regeling van den pachtprijs moet berusten, al dan niet in het program zal worden genoemd.

Ons program zegt: „betere regeling van het pachtkontrakt, berustend op het beginsel, dat alleen pacht behoeft te worden betaald van de netto opbrengst van het bedrijf, met recht van den vertrekkenden pachter op vergoeding wegens de door zijn arbeid of kapitaal aan het gehuurde aangebrachte verbeteringen"

Tegen dat laatste (kursief gedrukte) bestond tot heden bij Gorter geen bezwaar; wat het eerste betreft, zoo vindt men de bedoeling daarvan in Troelstra's brochure „De S. D. A. P." enz. aldus weergegeven: (») ..Dus nadat van de totale opbrengst zijn afgetrokken de noodzakelijke onkosten, waaronder ook een voldoend inkomen voor den pachter en zijn gezin en een voldoend loon voor de arbeiders zijn begrepen."

Men zal daar verder zien, dat wij dit beginsel, zooals zoovele, die door de burgerklasse in den steek zijn gelaten, van onze burgerlijke hervormers hebben overgenomen, nl. van den heer Goeman Borgesius (-), dien wij in de Kamer met zijn eigen beginsel oni de ooren hebben gegooid en dat de bedoeling er van is: eerst den arbeid, dan het grondbezit uit de opbrengst van den grond betaald.

Nu men er echter heel wat anders uit gehaald heeft, nl dat wij kunstmatig het boerenbedrijf in stand zouden willen houden, verklaarden wij reeds vroeger(*) er geen bezwaar in te zien, dat deze aangevochten woorden uit het program zullen wegvallen. De zaak blijft er in de praktijk precies geljjk 0111; alleen slaat men ons op die manier een uitdrukking uit de hand die in boerenkringen ons standpunt voor den arbeid, tegen het nietsdoend bezit, uitstekend begrijpelijk maakt. Indien maar de regeling van het pachtkontracht in 't algemeen blijft, óók met het recht, om de pachtsom te verlagen — dan zal deze verlaging tóch steeds den arbeid ten goede komen en op kosten van den grondbezitter plaats vinden.

Zóó denken ook de Belgen erover, die 4 eischen hebben ten gunste van den pachter, nl.:

a. Vaststelling van de pachtsom door scheidsgerechten of (op betere wijze geregelde) landbouwkommissiën.

b. Vergoeding aan den vertrekkenden pachter wegens de meerdere waarde, aan het eigendom toegebracht.

c. Aandeel der eigenaars in de verliezen, door den pachter geleden, in grootere mate dan het Burgerlijk Wetboek bepaalt.

d. Opheffing van het voorrecht van den eigenaar (op de goederen van den pachter).

(') Blz. 41.

(!) Zie de S. D. A. P. blz. 42. (8) Het Volk van 28 Sept. j.1.

Sluiten