Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keljjker door te drijven zouden zijn. Thans de vaan voor de enkele neutrale staatsschool opheffen, zou zijn, onze krachten verspillen in een moeilijken strijd om een bijzaak, waar we die voor de hoofdzaak noodig hebben

Het belang van onzen strijd eischt, dat wij geen noodelooze twistpunten tusschen verschillende geloovige arbeiders opwerpen.

Wij moeten er voor werken, op den nu geworden toestand, onze eischen van onderwijs tot werkelijkheid te maken. Daaraan kunnen, en zullen misschien, de christelijke arbeiders eenmaal medewerken, als ze. slechts overtuigd zijn dat wjj niet beoogen het godsdienstig onderwijs als zoodanig te bestrijden — wat ook geheel tegen onze beginselen zou indruischen — maar dat onze vijandschap alleen gericht is tegen de andere verkeerde, voor de vrijwording der arbeiders belemmerende eigenschappen, die de bijzondere scholen van nu in sterker mate aankleven dan de openbare."

BIJLAGE V.

Nieuwe Tijd 1902, bladz. 212—225.

Artikel Wiedijk.

Het is het beginsel zelf, dat dus verdedigd moet worden onder de ongunstige voorwaarde, dat men hebbe aan te toonen, dat het ook binnen de grenzen der naaste toekomst, niet ongestraft kan worden verwaarloosd, en dat zijn verloochening met groote waarschijnlijkheid een toestand zal scheppen, waarin ook de tegenstanders der principieele politiek de kiemen van durend nadeel zullen moeten erkennen.''

Blz. '222. „Onder onze goedkeuring en verantwoordelijkheid de christelijke kapitalistische partijen door bijzonder onderwijs, dat wij allen in meerdere of mindere mate erkennen als slecht onderwijs, hun invloed op de arbeidersklasse te laten versterken schijnt mij dus bijzonder slecht sociaal onderwijs, dat wij de arbeiders geven en ondanks de beste bedoelingen zal het de zeer verspreide meening onder hen versterken, dat politiek en knoeien niet ver van elkander liggen En juist bij ons ligt de toestand zoo, dat zoowel het goede onderwijs als de principieele, duidelijke taktiek van te onmisbaarder waarde zijn voor de opkomst der arbeiders, daar de werkelijkheid zelve hun nog zoo weinig duidelijk hun positie doet inzien. Het is misschien „politiek" deze dingen prijs te geven, juist hier, waar ze in de hoogste mate noodzakelijk zijn; maar het valt te betwijfelen of arbeidersbeenen deze weelde van politieke handigheid zullen kunnen dragen."

Blz. 2'i4/25: „Op het stuk van den godsdienst, leidt onze vrees voor haar macht ons ertoe, de schadelijkheid harer macht ts verkleinen en dragen wij een offer bij tot viering van hare grootheid en goedheid in de oogen van hen, die wij zoodoende uit haar macht wilden redden. Op 't stuk van de „vrijheid," den afkeer van dwang enz. bezorgen wij de „vrijen" de aangename overtuiging, dat zij het toch bij het rechte eind hadden, dat zij ook blijkbaar niet zoo heel onpraktisch waren met hun theorie, daar wij uit kracht van de praktijk hun

Sluiten