Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kookt zich een gerecht en verzadigt zich en warmt

zich en zegt :

Valt, calefactus sum, vidi focum.

Ha ! ik word warm, ik voel den gloed! *)

Reliquum aulem ejus deum fecit et sculptile sibi:

En van het overschot daarvan maakt hij een god en zijn gesneden beeld.

curvatur ante illud, et adorat illud, et obsecvat, dicens: hij buigt zich daarvoor neder en vereert het en bidt, zeggende :

Libera me, quia deus meus es tu.

Red mij, want mijn god zijt gij !

Laten we nu het letterlijk proza-Hollandsch nog eens achter elkaar lezen en daarna de verzen-vertaling van Jonckbloet.

Jonckbloet dicht in de maat der Italiaansche ottavo rime:

Hij heeft daarvoor de glorie der waranden Een eik of beuk of ceder omgehakt;

Of koos een pijn, geplant door eigen handen,

Door regen hoog gegroeid en breed, getakt.

Hij laat er van in 't vuur eens liaards verbranden, Waarbij hij zich verwarmt en brooden bakt;

Wat overblijft maakt hij tot God, knielt neder,

En buigt voor 't beeld, gesneên uit eik of ceder.

Een deel laat hij in kleine stukjes kloven Ter voorbereiding van een vleeschgerecht ;

Dan draait hij er een lijd het braadspit boven,

Eet zijn genoegen, warmt zich voorts en zegt ;

') Zie het Naschrift,

Sluiten