Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is waar, Dames en Heeren, dat het hymnarium niet zoo'n wezenlijk deel der liturgische litteratuur vormt als het schriftuurlijke element of de lessen en meditaties van eenigen dier Vaders, aan wier eensluidend oordeel de katholieke kerk goddelijk gezag toekent Die hymnen immers zijn lyrische liederen, die weliswaar eenmaal opgenomen in het liturgisch verband ondergeschikt worden aan die hoogere eenheid, waarom wij in het geheel der kerkelijke mystiek het dadelijk werk zien van Gods heiligen Geest, — maar die op zich zelf beschouwd kunnen worden en welker litteraire schoonheid dan grooter of geringer blijkt naar de mate der dichterlijke begaafdheid van haar auteur, hij zij dan een heilige of een niet heilig-verklaarde.

Schijnt U dit misschien een echt «moderne» gedachte, de geschiedenis van het hymnarium, als bestanddeel der liturgie, bewijst, gelijk wij straks zullen zien, voldoende, dat de al of niet opname van die lierdichten onder de kerkelijke litteratuur in vroegere eeuwen niet als een levensvraag voor de liturgie zelve is beschouwd.

Men is alzoo niet oneerbiedig of eigenwijs, wanneer men de zoogenaamde ambrosiaansche metrische hymnen onder aesthetisch opzicht wil vergelijken met de Latijnsche rijm-gedichten van den H. Thomas van Aquino, of de Rozenkrans-hymnen van Leo XIII met de Passie-hymnen van Fortunatus van Poitiers: Vexilla regis en Crux fidelis. Men kan veilig de eene mooier vinden dan de andere.

Maar daaruit volgt dan ook, dat degene, die dergelijke hymnen in Hollandsche verzen weergeven gaat, zich niet kan onttrekken aan de gewone eischen der letterkundige critiek.

Een hymnen-vertaler kan zich zeker niet veront

Sluiten