Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat goddelijk gedicht Kruysbergh: ziet er met gesloten oogen de purperen en gouden en mannablanke heerlijkheid van :

DE KRUYSBERGH

AEN

Magdalena van Erp.

De schoonste roode roosen groeien Op geenen Grieckschen Bergh, o neen:

Maer op den Kruysbergh, hard van steen,

Daer Jesus' hooftquetsuuren vloeien Van heyligh, van onnoosel bloed,

Geronnen tot een roosenhocd,

Wiens blaên, vol geurs, geduurigh bloeien Door den gevloghten doornckrans.

Waervan de Goddelijcke glans Beschaduwt word en overwassen.

De roosedruppels strecken schoon Robijnen aen de doornekroon,

De roosevlaegh verdrenckt met plassen De lelibloem van 't acngesicht,

een visioen van Vondels genie — en dat visioen tot een gedicht van Vondels kunst : want één woord is zijn geloof en zijn lier.

En wie, die in den Kruysbergh niet meer wil vinden dan een «dichterlijke bewerking van fraaie gedachten, ontleend aan de Vaders» zal nu naschouwen dat mystieke vergroeien, dat wonder-heerlijk geziene verbloeien van «De lelibloem van 't aengtsicht» in «De Mi, die het hooft laet hangen, en geeft den allerlesten sucht»?

Neen, neen, wie gaat tot Vondels Kruysbergh dient wel overtuigd te zijn, dat 'de dichter de gouden tong van zijn taal bevochtigd heeft «in dees speere- en spijckerbron», en dat hij, die zelf zooeven zwijgend hoorder was, nu op zijn beurt een Chrysostomus is, zeggende tot ons, zijn hoorders : Nolo tam factie, auditor, transeas : «ik wil niet, lezer, dat gij hier zoo lichtelijk overheen gaat» (Van onzen Tijd, Iste Jaargang, blz. 191.)

Sluiten