Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waeruyt de sonnc schept hacr licht: De son, die met hacr bevende assen Terugge rijd, beswijmt en sterft, Nu 't roosebloed Gods leli verft;

De leli, die het hooft laet hangen, En geeft den allerlesten sucht,

En vult met roosegcur de lucht.

De Christe byen met verlangen Sich spoeden naer dien roosengaert, Soo ras het licht de lucht verklaert, En swarmen om de roosewangen Van 's levens bloem en lentespruyt, En suygen soeten honigh uyt De gal en gift en bitterheden En alsem van het doorncbosch.

Uyt leli wit en roosenblos d'Aertsenglen Man en Nektar kneden En hemelsch suyeker en ambroos.

De dagh die teelt geen uchtentroos, (Soo dickmael hy komt aengereden) Die soo de flaeuwe siel verquickt En 't hart, tot wanhoop toe verstickt, Versterckt als deze roosegeuren Van 's levens roosetack en hout, Met bittre tranen nat bedouwt Tot troost van aldie eeuwigh treuren.

Hier springht voor aldie dorstigh sijn Een bron van roode en witte wijn, Soo lecker als oyt tongh kon keuren. Hier wascht men het bevleckt gemoedt In 's levens kostelijcksten vloet, Vergadert uyt vijf suyvre sprongen.

Hier levren d'aders purper uyt

Tot pracht der koninghlijcke bruyt,

Wier lof van David wert gesongen

En van dien wijsen Salomon,

Toen se in dees speere- en spijekerbron

Bevochtighden hun goude tongen:

Sluiten