Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen David stelde luysterscherp Op dat geruysch sijn schelle harp En Salomon sijn hooge klanckcn.

O bloet- en waterrijcke rots!

O hartebron des wijsen Gods!

O artseny voor alle krancken!

Vergun my oock een druppel nat,

Bevloey mijn dor en dorstigh bladt En leer me mijn Verlosser dancken,

Op d'oevers van dien gulden stroom,

In schaduw van dien rooscboom,

Bedeckt met Cherubinnevleugelen:

Daer rust het afgejaeghde hart,

Daer vint het stilpijn voor sijn smert,

Daer nestien alle tamme veugelen En heffen tegen 't paradijs By beurte een lofsangh aen, om prijs;

Daer leert de siel haer lusten teugclen Met Gods gebit en roosentoom.

S'ontwaeckt er uyt den ydlen droom Der ydle weerelt, om 't aenschouwen Den Middelaer van 't Nieuw Verbont.

Zy kust sijn bleecken roosemont.

Men sagli er onder 't puyck der vrouwen By 't graf de droeve Magdaleen Met balsem, tranen en gebeên God soecken, met een vast betrouwen,

Dat 's nachts gelijck een Vierbaeck scheen.

Vondel stond als wij midden in het woelige leven van zijn tijd, hij was zakenman, kantoorheer en staatsgevaarlijk verzenmaker. Hij was geen monnik, die eiken nacht door de kloosterklok gewekt wordt voor 't heilig getijde en geen brevier-biddend priester. Maar hij was katholiek ook in het merg van zijn schoonheidsbewustzijn en zijn ziel was minder lauw dan de onze, die helaas! al te zelden tijd vindt om een enkel uur in den geest en den stijl van de Kerk te waken

Sluiten