Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13—14. Eierenklutsers, van bamboereepen, met steel van rotan; 14 dient om hwê-hwê te maken (1636/59 — 60).

Inl. n. ontjang te loer; tëloer — ei (Mal.).

15 — 16. Schaaltjes, van klapperdop, met gaatjes van onderen. — Om Icwé-ktoé te maken (1636/34 en 46).

Inl. n. tampoeroeng djëwadah (15), serangan tetailati (16); djoewadah — pap (Mal.).

17. Staaf, van ijzerhout, met ingedrukte figuren. — Om leué-kwé te maken (1636/174).

Inl. n. serangan oelat-oelat.

18. Roos ter spit, van ijzerhout, in plaats van vork gebruikt, om brood te roosteren (1636/177).

Inl. n. soendip panggoering; goering = roosteren (Mal. goreng).

19—20. Tasschen, van n^aft-bladreepen, om geroosterde visschen en andere spijzen te bewaren (1636/125 — 126).

Inl. n. tingkoer daoen; daoen = blad (Mal.).

21. Zak, van poeroen-biezen, om visschen en andere spijzen te bewaren (1636/127).

Inl. n. tingkoer poeroen; poeron = Lepironia mucronata Rich (Filet,6978).

22 — 23. Spij sdeksels, van nipah-bladreepen, om de spijzen op de borden of schotels te bedekken (1636/79 en 81).

Inl. n. toedoeng piring (22), toedoeng doelang (23); piring — bord, doelang = schotel (Mal.).

24. Lepel, van kalebas, om soep te scheppen (1636/35).

Inl. n. loek.

25—27. Zeven, van ongekleurde (25 en 27) of ongekleurde, zwarte en roode rotan s&jrt-reepen (26), terwijl 26 bovendien met veelkleurige kralen versierd is. — Om spijzen te zeven (1636/52-54).

Inl. n. tepisan (25), mata lamboe (26); mata lëmboe (Mal.) = koeienoog.

28. Stamper met v ij z e 1, de stamper van lichtbruin hout, van boven uitgesneden in den vorm van een geopenden bek met tanden. Daaronder een menschengelaat met vier slagtanden. De vijzel van bamboe, versierd met snijwerk in den vorm van gestileerde honden. — Gebruikt om goegoes (een vloeibare spijs) te bereiden (1636/216).

Inl. n. boeloeh goegoes. — Literatuur: Bock, pl. 19, fig. 13. — Ling Roth, I, 382.

Sluiten