Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43. Hoed, van aaneengenaaide nyoes-bladreepen, versierd met veelkleurige kralensnoeren, dierentanden en Buceros-vederen (1636/16).

Inl. n. hoong. — In Centraal-Borneo: haung (Nieuwenhuis, Quer durch Borneo, I, 109, 134, 138).

44. Baadje, van aaneengenaaide mj'oes-bladreepen, met blauw en zwart gebloemd katoen omboord en aan den nek met rood flanel en veelkleurige kralensnoeren versierd (1636/18).

Inl. n. ledjiang keiijl. — Literatuur: Hein, 203, s. v. Jacken. — Bock, pl. 26. — Müller, 411.

45. Baadje, van bruine boomschors, met rood katoen omboord en van achteren met drie Buceros-vederen en roode zijde versierd (1636/5).

Inl. n. ledjiang moet. — Vgl. Nieuwenhuis. Quer durch Borneo, II, pl. 49 en 50.

46. Baadje, als 45, doch met rood flanel omboord en met wit katoen gevoerd, dwars doorstikt met roode en zwarte draden. Aan den nek een vierkante lap rood flanel, waarin met gele en groene zijde krulvormige figuren geborduurd zijn (1636/6).

Inl. n. bepit moet. — Moet beteekent blijkbaar: boomschors.

47. Lendengordel, van bruine boomschors, met franjes (1636/1).

Inl. ii. ging moet. — Literatuur: Bock, pl. 14—16. — Schwaner, I, 219, 222, 230.

48. L e n d e n g o r d e 1, als 47, doch van onderen met rood garen doorstikt, waardoor o. a. gevleugelde krullen en zandloopers gevormd worden. - Door vrouwen gedragen (1636/3).

Inl. n. sedoe moet. — Nieuwenhuis, Quer durch Borneo, I, 77, 136.

49. Rok, van bruine boomschors, met wit garen doornaaid, met trekbanden (1636/2).

Inl. n. haas moet. — Literatuur: Hein, 220, s. v. sarong. — Perelaer, 104. — Veth, I, 450.

50. Rok, als 49, doch van katoen, met een ingeborduurd bloempatroon van zijde (1636/7).

Inl. n. haas. — Literatuur: Nieuwenhuis, In Centraal-Borneo I, 125, 127, 166.

51. Zit mat, van rotan gevlochten, met veelkleurige kralen versierd (1636/8).

Inl. n. semik. — Literatuur: Bock, pl. 3. — Nieuwenhuis, Quer durch Borneo, I, 137.

Sluiten