Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

52. Tatoeëerhamer, van hout, gedeeltelijk met boomschors omhuld. Het puntje in de vertakking wijst aan, waar de naald ingestoken wordt (1636/173).

Inl. n. loesdaJc. — Literatuur: Hein, 143—149. — Perelaer, 92 vgl.— Bock, 76—77. — Sal. Müller, 412—413. — Lino Roth, 11, 83—95. — Nieuwenhuis, In Centraal-Borneo, I, 234—242. — Quer durch Borneo, I, 450—468 — den Hamer, Tatoueeren. — Van Walchren, 782, 823. — Spaan, 1. c. 218.

53. Wandelstok, van geel hout, met knop en punt van hertshoorn en drie zwart hoornen ringen. De knop uitgesneden in den vorm van een monsterkop met een hoed (1636/21).

54. Regenscherm, van aaneengenaaide «yoes-bladreepen, met rood flaneel en zwart katoen omboord, in een foudraal van rotan. — De lange kant wordt boven het hoofd gehouden, terwijl het overige gedeelte langs den rug naar beneden hangt, opdat het op den rug gedragen kind droog blijft (1636/215).

Inl. n. soet kandjang. — Nieuwenhuis, Quer durch Borneo, I, 21.

GROEP III.

Bouwkunde en huisraad').

55. Mat, van rotan gevlochten, langwerpig vierkant (1636/95).

56. Mat, van mjoaft-bladreepen, om rijst (btras) of meel op te leggen (1636/97).

Inl. li. ambi. — Nieuwenhuis, Quer durch Bonieo, I, 120, 122.

57 — 58. Matten, van aaneengenaaide mj'oes-bladreepen, opreis gebruikt, om gereedschappen tegen den regen te beschermen (1636/159-160).

Inl. n. selijal. — Bock, pl. 15.

59—60. Hangers, van rotan lusvormig gevlochten, om borden (59) of klappers, waarin water bewaard wordt (60), op te hangen (1635/84-85).

Inl. 11. salang pendjalin; pëndjalin (Jav.) = rotan.

1) Literatuur: Ling Roth, I, 359—379, II, 1—28. — Perelaer, 121—135. — Hein, 12—17. — Schwaner, 1,215—219, II, 20,24, 31 (plaat). — Haddon, 298,331 en pl. XXVIII. — Bock, 84 en plaat I, II en VII. — Furness, 1 — 5, 111 en 128. — Sal. Müller, 375—376 en pl. 61, fig. 15. — Nieuwenhuis, In Centraal-Borneo, I, 32—34, 254—256, II, 22—24, 306—309 en Quer durch Borneo, I, 386—388; II, 9, 14, 147—185, 368, 388, 409—411 met pl. 37—40.

Sluiten