Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W. Hough, Firemaking apparatus en The methods of fire making. — Pleyte, Indonesisches Feuerzeug (Globus, LIX, no. 4). — Encycl. v. Ned. Ind. s. v. vuurmaken. — Wilken, Handleiding, p. 655—658. — Schurtz, Urgeschichte der Kultur, p. 309—315. — Nieuwenhuis, Quer durch Borneo, II, pl. 62, fig. h.

GROEP IV.

Jacht en visch vangst').

116 — 117. Strikken, van rotan, 116 met 21 lussen, 117 een lasso. — Voor de hertenjacht gebruikt. Gewoonlijk is iedere strik 18.25 c.M. lang en zijn er minstens 11 strikken aan (1686/114-115).

Inl. n. djaring. Zie Klinkert, s. v. — Schwaner, I, titelplaat.

118. Y o g e 1 k n i p (?), zeer beschadigd en afwijkende van de toestellen, afgebeeld bij Ling Roth, I, 431 — 444 (1636/197).

Vgl. over jacht bij de Dajaks: Ling Roth, I, 428 - 453. — Nieuwenhuis, Quer durch Borneo, 1,196—198. — Perelaer, 208—209. — Sal. Müller, 433.

119 — 120. Vischweren (scro's), van bamboe raoet (119) of sara-

dang-hout (120). Modellen. De gewone hoogte is 1,75 M. è,

2,62 M. en de breedte 3,50 ü 6,12 M. Opgesteld langs de oevers

van groote rivieren (120) of voor de monden van kleine rivieren

(119), ten getale van minstens honderd (119) of minstens twee

(120) (1639/99-100).

Inl. n. tannang (119), kabat (120). — Vgl. Ling Roth, I, 463—464. — Perelaer, 206.

121. Fuiken, cylindervormig, van boomschors, met rotanhoepels en houten achtereinde, waardoor een rotanreep geregen is, om de fuik met een houten haak naar zich toe te halen. — Om garnalen te vangen (1636/102).

Inl. n. boeoe oedang; boeoe = Mal. boeboe (fuik), oedang (Mal.) = garnaal.

122 —124. Fuiken, van bamboereepen, 123 met een netwerk voor de opening. Het achtereinde van klapperdop (122) of van hout

1) Literatuur: Ling Roth, I, 444, 454—458. — Nieuwenhuis, Quer durch Borneo, I, 186—189. — In Centraal Borneo, I, 205—213. — Schwaner, I, 85, 98, II, 31. — Perelaer, 67, 204—207. — Furness, Homelife, 17, 185, 186, 188. — Sal. Müller, 362, 414,415, 433 en pl. 59, fig. 18-20. — Veth, I. 102—103.

Sluiten