Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(123). — Om sampei-sampei (122) of boentali- (123) visch te vangen. In snelstroomende groote rivieren opgesteld (1626/104 — 105).

Inl. n. boeoe sampei-sampei (121), pcngari (22).

124. Vischtuig, bestaande uit elkaar kruisende rotanreepen in een houten raam en twee weren met 22 verticale houten staafjes, die door vezelkoord verboden zijn. — Model. Gewoonlijk is de lengte 4,37 en de breedte 3,50 M. Het wordt door minstens vijf personen gehanteerd (1636/106 a—b).

Inl. n. toewas (Mal.).

125—126. Vischlansen, de punt met een (125) of twee(126) weerhaken, de schacht van rotan (125) of bamboe (126) (1636/107-108).

Inl. n. soembijang (125), scrapang (126). — Vgl. Perelaer, 67. — Nieuwenhuis, In Centraal Borneo, I, 132 en 202. — Quer durch Borneo, I, 186 en 188.

127. Schepnet, van vezeltouw geknoopt (1636/110).

Inl. n. legoe. — Vgl. over vischnetten: Nieuwenhuis, In Centraal Borneo, I, 205, II, 47, 106 en 107. — Quer durch Borneo, I, 184, 186—188. — Perelaer, 204—205.

128. Schepnet, van rotanreepen, die elkaar rechthoekig kruisen, aan rotanstaven bevestigd. — Om saJcoel-visch te vangen. Model. Gewoonlijk is de lengte 1,70 en de breedte 1,45 M. (1636/109).

Inl. n. pënjakoelan, afgeleid van sakoel.

129. Schepmand, van rotanreepen. — Om visschen, die men langs rivieroevers ziet, te vangen (1636/132).

Inl. n. antiling.

130. Vischtuig, bestaande uit 1°. een halfrond stuk licht hout met kopvormige uiteinden, waarom een geweerhaakte koperen haak gewikkeld is. — Dit heet pantau en dient om patin- visch te vangen;

2°. twee vogels (eenden?), van hetzelfde hout, ieder met een

koperen haak. — Om lais-visch te vangen;

3°. een rotanmandje, open gevlochten (1636/111).

131. Bamboekokers, die met rijst (nasi) als aas gevuld in garnalenfuiken gedaan worden (1636/227).

Inl. n. boeloeh oempan-, oempan (Mal.) = aas; boeloeh (Mal.) = bamboe.

Sluiten