Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kop met uitpuilende oogen, wijdgeopenden bek en omgekrulde tong; die van 194 van rood hout, uitgesneden in den vorm van een gestileerden kop met langen, getanden bek en ooren of horens. Het ijzer van 194 in een foudraal van bamboelatten. — Gebruikt om prauwen te maken of boomen om te hakken (1636/190-192).

Inl. n. oesai soeng (192), bëlajoeng (193), pela oesai (194). Oesai = bësi — ijzer.

195. Disselsteel, als voren, doch uitgesneden in den vorm van armen of beenen met gestileerde handen of voeten (1636/179).

196. Dissellemmet, van ijzer, van voren wigvormig, van achteren afgeknot pyramidevormig (1636/180).

197. Zwaard, houten model, het lemmet als dat van een mandau, met een krul in het voorste gedeelte (1636/200).

GROEP IX.

Wapens en krijgstnig').

198. Blaasroer, van donkerbruin, gepolijst hout, met houten punt, die met rotanreepen omwonden is (1636/207).

Inl. n. soempitan (Mal.). — Zie Ling Roth, II, 184 e. v. — Perelaer, 66—67. — Furness, 113, 117. — Nieuwenhuis, In Centraal Borneo, I, 131, 133—138 en II, 174. — Quer durch Borneo, I, 146, 148 e. v. 197, II, 318. — Bock, 82—83 en pl. XVIII. — Schwaner, II, 76, plaat. — Pleyte, Sumpitan and bow (Int. Arch. f. Ethn. IV, 268—278). — Van Walchren, 797, 842.

199 — 203. Lansen, 199 met weerhaken; de punt in een harsring stekend, waarin bij 201 schelpen gedrukt zijn, in een houten, met rotan omwonden scheede. De schacht van hout. (1636/202-206).

Inl. n. daoen patjar (199), bëroedoes (200), loes (201), boedjak (202), loes pak (203). Daoen patjar (Mal.) = ubalsamineblad", wijst op den vorm der punt. — Literatuur: Ling Roth, II, 132—134. — Schwaner, I, 225, II, 39, 80. — Hein, 108, 109, 112, 115 en 209, s. v. Lanzen. — Perelaer, 67. — Nieuwenhuis. In Centraal-Bomeo, I, 131—133 en Quer durch Borneo, I, 146—147. — Sal. Müller, 415. — Bock, pl. 4, 18, fig. 10, 24, 28.

1) Literatuur: Sal. Müller, 408—411. — Ling Roth, II, 128—139. — Perelaer, 62—78. — Nieuwenhuis, In Centraal Borneo, I, 131—138 en Quer durch Borneo 1,146— 155. — Schwaner, I, 57, 225, 226, II, 39. — Van Walchren, 797, 838, 841-843.

Sluiten