Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewust of onbewust de gedachten van het Christendom onderstelt1). Natuur en geschiedenis worden door hunne voornaamste onderzoekers stilzwijgend opgevat, gelijk het Christendom ze ons heeft doen kennen. En omgekeerd slaat hare beoefening in diezelfde mate eene verkeerde richting in, als ze met of zonder opzet aan de Christelijke wereldbeschouwing den rug toekeert. De materialistische natuurwetenschap bijv. heeft jaren lang onze aandacht gevestigd op het mechanisme der natuur, op de toevalligheid en doelloosheid van al haar verschijnselen, op de om geen zedewet zich bekommerende werkzaamheid van alle natuurkracht J). Tot zekere hoogte deed zij dit met recht tegenover de dweepende natuurvergoding, die onder den invloed van het idealisme geheerscht had. Maar zij is, even eenzijdig, tot een ander uiterste overgeslagen. Zij heelt de natuur „entgöttert . En nu is diezelfde natuur, vooral sedert hare geheimenissen weer erkend zijn, voor velen geworden tot eene onbegrijpelijke, huiveringwekkende, daemonische macht. Zoo wordt ze menigmaal in litteratuur en kunst geteekend. Zoo wordt ze door het voortwoekerend bijgeloof beschouwd. God is eruit verdwenen, en de duivel heeft zijne plaats ingenomen. Bij Nietzsche is heel het begrip van natuur weg. De wereld is voor hem een chaos, zonder orde, zonder wet, zonder gedachte. Op de vraag, door hem gesteld: wann werden wir die Natur ganz entgöttlicht haben is er dan ook maar één antwoord: als alle regel, alle orde, alle maat, alle logos uit de natuur en daarmede de natuur zelve is opgeruimd.

Dienzelfden kant gaat het, zonder het Christelijk geloof, met de geschiedenis uit. Als er geen persoonlijk God is, die door zijn voorzienig bestel alle dingen regeert, op welken grond zullen wij dan nog gelooven, dat er gedachte, plan, gang in de geschiedenis is? Schopenhauer zag dit in; hij loochent iederen vooruitgang in het historisch proces; de geschiedenis is voor hem slechts eene eeuwige, zinlooze herhaling van de ellende, waarin de blinde

1) Verg. mijne Gereformeerde Dogmatiek III 23.

2) Verg. Haeekel, Die Weltröthsel. Bonn 1899 bl. 295 v.

Sluiten