Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Menschheid.

II.

Gij ligt onder mij. Gij zijt als een woud: In uwe oogen zie ik de Natuur.

Meeren en bergen, bosschen en de zee, de verre blauwe hemel straalt er in.

Gij zijt de oneindig goede, Uwe liefde brandt tegen mij op als een brandend vuur. Het is bij u of ik in zachten regen lig, en ik zelf ben zachte regen.

O liefste met uw zacht verdwijnend haar. Uw kamer schittert, en gij zijt alles,

als de diepgezonken edelsteen daarin.

Er is niets van begeerte meer over.

Ik heb u in mijn armen, voor het eerst heb ik het volle, wat de bruigoms hadden die ik benijdde. Uw lichaam is mij alles. Gij zijt de volte, niet 't verlangen. Uw zacht spelende oogen fluistren in de mijne, en uw mond is warme gloedbron aan mijne lucht. Een tinteling doorstraalt uw ooren en mijne. Er is een lied dat wij beiden hooren. 't Is in ons bloed, dat één van maat is, het gaat op één gang.

Sluiten