Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men stelle liet zich alzoo duidelijk en klaar voor; souvereiniteit veronderstelt eene volkomene onafhankelijkheid van alles; terwijl alles wat onder die souvereiniteit ligt, daaraan geheel onderworpen is. In Romeimen 9 : 20 en 21 wordt dit, in een beeld aan het menschelijk leven ontleend, duidelijk. ,.Maar toch, o ïuenscli! wie yijt g[y die tegen (.tik! antwoordt ? Zal ook het maaksel tot dengene, die hein gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzoo gemaakt ? Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken het eene vat ter eere, en het andere ter oneereï" En in Jeremia 19: 11: „Alzoo zal Ik dat volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weder geheel kan worden." Het beeld van den pottenbakker wordt ook gebruikt in Jeremia 18: 2—6, in Openb. 2:2/.

Aan de souvereiniteit Gods is alles onderworpen. Van geen enkel product kan de inensch zeggen: „daarover heb ik souvereine macht." Ook over den pottenbakker, over het leem - eene stof, die haast geen waarde heeft — is God souverein. Op tal van plaatsen in de Heilige Schrift komt de volle souvereiniteit Gods over al het geschapene duidelijk uit. In Jes. 14 : 24 wordt de souvereiniteit Gods uitgesproken, betrekking hebbende op de geschiedenis, de ontwikkeling en de lotgevallen der natie: „Indien niet gelijk Ik gedacht heb, het alzoo geschiede, en gelijk Ik beraadslaagd heb, liet bestaan zal." In Dan. 4 : 34 en 35 getuigt zelfs Nebukadnezar van de souvereiniteit Gods: ,.Ten einde dezer dagen nu hief ik, Nebukadnezar, mijn oogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weder in mij; en ik prees en verheerlijkte den Eeuwiglevende, en dat Zijn heerschappij is eene eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht; en al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met liet lieir des hemels en de inwoners der aarde en er is niemand die Zijne hand afslaan of tot hem zeggen kan: Wat doet Gij ?" In deze betuiging — vooral in dat „wat doet Gij?" — ligt wel het volle en rijke begrip van souvereiniteit. In Spreuken l(i : 1—4, 21 : 1. .Ter. 10 : 23, .Tes. 40 : 10 en 11, Psalm 124:8, Jer. 5:21, Psalm 148:8, .Tes. 55 : 10 en 11 en zoovele andere plaatsen meer komt het duidelijk uit, dat de souvereiniteit Gods zich geenszins alleen uitstrekt ovei de handhaving van wetten gelijk bij een koning, maar over de geheele schepping en al wat bestaat. En ook blijkt daai Zijn Mij-

Sluiten