Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8". Omwenteling, opstand tegen een vorst is niet altijd tegen de ordinantiën Gods. — „Want Hij verandert de tijden en stonden, Hij zet de koningen af en Hij bevestigt de koningen" (Dan. 2 : 21). Eene omwenteling kan dus zeer wel naar Gods wil zijn; en dit is liet dan ook wat hier door Daniël tegenover Nebukadnezer, den machtigsten koning, die toen op aarde bestond, wordt uitgesproken. „Verandering in tijden" doelt natuurlijk op de verandering van ontwikkeling in de geschiedenis van een volk, gelijk het geval was met ons volk, toen het iu 1581 zijn wettigen graaf vervallen verklaarde van de regeering.

9". Grenzen van het gezag. — Ook hieromtrent geeft Gods Woord tal van aanwijzingen, en wel in die mate, dat uit het Woord kan verklaard worden de opkomst van het constitutioneel staatsrecht. Het laatste stippen we nu maar even aan, aangezien dit bij een volgend artikel van ons Program van zelf moet worden behandeld; maar wat de grenzen van de Overheidsmacht betreft, wordt verwezen naar het gezag van de koningen van Israël. Een theocratische staat was Israël: maar dit wil nu niet zeggen, dat de koning nu ook, regeerende namens God, alles te zeggen had. Allerminst. Israël heet alleen een theocratische staat, omdat God de Heere zelf de wetten voor het volk gaf; maar overigens was het gezag van den koning op natuurlijke wijze beperkt, en wel dooide kringen, waaruit het Joodsche volk bestond.

In de Heilige Schrift wordt Israël niet alleen voorgesteld als een rijk, maar ook als een groot huisgezin. „Gij huis Israël", waarmede aangeduid wordt, dat het volk één groote familie of huisgezin vormt, maar die weer in grootere en kleinere kringen van gezinnen uiteenvalt. In Jozua 7 : 14—18, waar Aclian geraakt wordt, leest men van stammen, geslachten en gezinnen. Dit was ééne indeeling. Eene tweede indeeling bestond in Israël naar de besnijdenis, waarvan de Moabieten, Ammonieten en de zeven Kanaiineesche volken uitgesloten waren. En eene derde indeeling bestond naar het leger (Deut. 1 : 1).

In verband nu niet de indeeling van het volk in stammen, zien we optreden, reeds in Egypte, oudsten van Israël, hoofden der stammen (Exod. 3 : 16, 18, Exod. 4 : 25).

Waarom we hier op wijzen? Om te laten uitkomen, dat God in het volk kringen heeft in het leven geroepen, die zelfstandigheid

Sluiten