Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staats-inrichting verhief; de godsdienstoefeningen werden, in den voormiddag, zeer druk bezocht, hoewel het eiscli der beschaving scheen geworden om ook des avonds in den schouwburg present te zijn. Of het aan dien „godsdienstzin" moet worden toegeschreven, dat de Grondwet van 1814 en die van 1815 uit een anti-revolutionair oogpunt nog zooveel goeds bevat, kan moeielijk worden uitgemaakt; maar zeker is het, dat beide Grondwetten, dat ook de Grondwet, waaronder we thans leven, niet in alle opzichten revolutionair mogen worden genoemd.

e zullen dit nader zien, wanneer art. 7 van ons Program behandeld wordt, maar kunnen thans alvast wijzen op de artikelen in de Grondwetten van 1814, 1815, 1840 en 1848, waarin voorgeschreven werd dat de Koning bij zijn inhuldiging in het midden der volks-vertegenwoordigers den eed heeft af te leggen, en ditzelfde geëischt werd van de leden der Staten-Generaal, van de Provinciale Staten en de Gemeenteraden.

In de Grondwet van 1887 is dit veranderd. De leden van de beide Kamers en van de Staten, — sinds 1895 ook de leden van den Gemeenteraad, —- kunnen de eeden afleggen, zij kunnen ook de beloften doen; en ook de Koningin was, bij haar inhuldiging, bevoegd een of ander naar verkiezing te doen. Men noemt dat het niet-verplichtend of het facultatief stellen van den eed.

Toen Koningin Wilhelmina meerderjarig was (31 Aug. 1898) volgens art. 31 der Grondwet is die leeftijd gesteld op achttien jaren moest Hare Majesteit krachtens art. 51 der Grondwet „plechtig beëedigd en ingehuldigd (worden) binnen de stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde vergadering der Staten-Generaal." In deze vergadering, die 6 September 1898 in de Nieuwe kerk te Amsterdam plaats had, legde de Koningin den volgenden eed op de Grondwet af (art. 52):

„Ik zweer aan het Nederlandsche volk. dat ik de Grondwet steeds zal onderhouden en hindhaven.

..Ik zweer dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Kijksmettil mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de rechten van alle mijne onderdanen zal beschermen en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wetten te mijner beschikking stellen, en als eene goede Koningin schuldig is te doen. „Zoo a ar lijk helpe mij God almachtiij

„Na liet afleggen van dezen eed of deze belofte, wordt — zegt

Sluiten