Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is toch bekend, dat — om ons nu tot ons land te bepalen — onze eerste Graven of Hertogen de door den adel verkregen rechten moesten ontzien. Op zijn slot of kasteel was de edelman koning; daarbuiten kwam hij onder het bestuur van den landsheer. Hij de opkomst van de burgerij ontstond al dadelijk behoefte aan vrijheid van beweging; en spoedig volgde het ééne privilegie op het andere. Zoo bezat de adel en hadden ouk de steden zekere rechten en vrijheden, waaraan de landsheer niet mocht te kort doen. Zelfs kon de landsheer allengs geen nieuwe belastingen opleggen, maar moest dit in den vorm van beden geschieden. Dat wil zeggen: de Overheid moest telkens aan de vertegenwoordigers van adel, geestelijkheid en steden — de Standen of Staten — gelden voor één of ander doel, b.v. voor liet voeren van een oorlog, vragen ; en hieruit blijkt, dat zoo maar niet naar willekeur nieuwe belastingen mochten worden geheven.

Evenwel — met juistheid waren de grenzen van de macht der Overheid en de rechten des Volks niet omschreven. Dat lag. voor die tijden, in den aard der zaak. Botsingen waren daardoor onvermijdelijk. Maar toch was er niet één Graaf of Hertog, die bij de aanvaarding der regeering de privilegiën der steden en van den adel over het hoofd zag: ja meestal werden zij door den nieuwen landsheer, in het midden van de vertegenwoordigers des volk (de Staten, later de Algemeene Staten), bezworen. En het was óók om de verkregen rechten te handhaven, dat onze vaderen tegen den Spaanschen koning, hun wettigen landsheer, opstonden.

Doch die rechten waren niet in eene Grondwet neergelegd of omschreven. Van eene Grondwet of van eene constitutie was tot op liet begin der vorige eeuw geen sprake. Het waren schriftelijke toezeggingen, keuren, waarop onze vaderen zich voor hun recht beriepen.

De vraag, of het niet gewenscht zoude geweest zijn. indien die rechten toen reeds in één Staatsstuk waren geformuleerd, behoeft nu niet te worden besproken. Genoeg is het er aan te herinneren, dat dit in ons land eerst in 1814 werd gepoogd te ondernemen. Van de Staatsregelingen, die in den Franschen tijd op elkander volgden, kunnen we wel zwijgen, omdat ze door t rankrijk werden opgediongen en geen Grondwetten van een vrij volk konden worden genoemd.

Tegen eene Grondwet of eene Constitutie kan derhalve een antirevolutionair geen bezwaar hebben. Alleen in landen, waar de bevolking op een lagen trap van ontwikkeling staat, als in Rusland,

Sluiten